Rechter signaleert hoog oplopende kosten in standaard incassozaak

Bron: André Moerman
uur

Een debiteur wordt door Infomedics na elkaar voor twee tandartsvorderingen uit dezelfde behandeling afzonderlijk gedagvaard, waardoor de totale schuld oploopt van 1000 naar 3000 euro. De kantonrechter kan zich met gedaagde voorstellen dat het hoog oplopen van deze kosten voor voornamelijk standaardhandelingen en -documenten zonder enige persoonlijke bejegening onrechtvaardig aanvoelt. Omdat deze praktijk in regelgeving en rechtspraak uitgekristalliseerd is, kan het zijn dat alle onderdelen van de incasso- en proceskosten verdedigbaar zijn, maar tezamen toch tot een onredelijke uitkomst leiden. De kantonrechter gaat in zijn vonnis uitgebreid in op het incassosysteem dat deze hoog oplopende kosten veroorzaakt, maar wijst toch de proceskosten toe.





Wat voorafging
De heer X  heeft eind 2019 en begin 2020 een behandeling bij de tandarts ondergaan voor plaatsing van een kroon en een brug. In overleg werd dat in twee gedeeltes in 2019 en in 2020 gefactureerd om zo een optimale vergoeding van de verzekering te ontvangen.
Bij verstekvonnis van de kantonrechter van 24 juni 2020 is een eerste factuur van € 598,55 (inclusief circa € 80,= incassokosten en rente) toegewezen. X is daarbij ook in de proceskosten ad € 705,85 veroordeeld. Op 9 juli 2020 is hem dat vonnis betekend waarbij opnieuw € 60,00 nasalaris en € 80,24 explootkosten in rekening zijn gebracht. Hij heeft het totaalbedrag van € 1.446,51 voldaan.


Een tweede dagvaarding
Vervolgens vordert Infomedics bij dagvaarding van 17 november 2020 uit hoofde van dezelfde behandeling de betaling van de factuur van 9 januari 2020 van € 540,21 (na aftrek van een vergoeding ad € 250,= van de zorgverzekeraar). Inclusief € 81,03 incassokosten en wettelijke rente wordt in hoofdsom gevorderd € 631,50. Deze vordering is inhoudelijk niet bestreden. Bij toewijzing zal X ook in deze procedure in de proceskosten van Infomedics worden veroordeeld. Die kosten zullen uitkomen op € 499,= griffierecht, € 86,85 explootkosten en € 248,= salaris gemachtigde, derhalve in totaal op € 833,85. Ook dat vonnis leent zich dan weer voor betekening (€ 80,24 explootkosten) en nakosten (€ 60,=). Daarmee zou deze incasso resulteren in een betaling van € 1.605,59.


Het verweer
X voert aan dat hij zelfstandig ondernemer is geweest en niet goed genoeg verzekerd was, zodat hij slechts een klein gedeelte van de kosten vergoed heeft gekregen. Hij heeft in 2020 een burn out gekregen en had als eigen ondernemer minder inkomsten waardoor hij veel van zijn rekeningen niet kon betalen. Hij heeft de dagvaarding die geleid heeft tot het verstekvonnis van 24 juni 2020 nooit ontvangen en begrijpt niet waarom die hem niet persoonlijk is afgegeven of gewoon aangetekend verzonden is;. Hij is boos dat hij nooit telefonisch benaderd is en hem nooit de gelegenheid is geboden om zijn vordering op te schorten totdat hij weer inkomsten had en/of in termijnen te betalen. X en zijn gezin durven niet meer naar de tandarts. Hij zit depressief thuis.


Beoordeling door de rechter
De kantonrechter geeft aan niet anders te kunnen dan deze vordering toe te wijzen en gaat bij de overwegingen in op het systeem dat tot hoge kosten leidt.

De rechter kan met X invoelen dat het aangroeien van een incasso vordering van € 1.058,76 naar € 3.052,10 onrechtvaardig overkomt. Zeker als die ongeveer € 2.000 euro incasso-, exploot- en gerechtskosten tot nog toe (met uitzondering van de conclusie van repliek) opgebouwd zijn uit het produceren en verstrekken van standaarddocumenten zonder dat er één moment van persoonlijke bejegening is geweest. Desondanks is elk bouwsteentje van dit bedrag in regelgeving en rechtspraak uitgekristalliseerd, waardoor gezegd kan worden dat het rechtssysteem en de maatschappij deze uitkomst normaal en aanvaardbaar vinden.

Omdat de kantonrechter onderdeel is van het rechtssysteem, wordt hij geacht zich aan de uitkomsten daarvan te conformeren. In Nederland worden elke week in duizenden incassozaken door rechtbanken gelijksoortige vrijwel gestandaardiseerde beslissingen genomen. Anderzijds is onlangs (met de affaire rond de kindertoeslag) duidelijk geworden dat de rechter als laatste baken voor rechtszoekenden kritisch moet blijven op dat rechtssysteem. Daarom signaleert de kantonrechter een aantal oorzaken voor het oplopen van de vordering waarvan gezegd kan worden dat ze ieder voor zich verdedigbaar zijn, maar opgeteld toch tot een ongewenste uitkomst kunnen leiden.


Ten eerste is in het systeem ingebouwd dat de enige ‘verplichting’ die een incassobureau of deurwaarder heeft om aanspraak te maken op incassokosten, is dat hij een sommatiebrief aan de schuldenaar verstuurt, waarin betaling binnen 14 dagen wordt gevorderd. De Hoge Raad heeft al in 2016 met verwijzing naar de bedoeling van de wetgever aangegeven dat dit voldoende is en een verdere toetsing van de incasso niet aan de rechter is. De hoogte van incassokosten is gestandaardiseerd op een percentage van de hoogte van de vordering (bij € 5.000,= bijvoorbeeld op € 625,=) met een minimum van € 40,=. Doordat de rechter geen mogelijkheid heeft om te onderzoeken en beoordelen of het incassobureau of de deurwaarder redelijke inspanningen (anders dan die 14-dagen brief) heeft gedaan om tot incasso van de vordering te komen, zal dit incassobureaus en deurwaarders niet stimuleren om meer dan die 14-dagen brief aan werkzaamheden te verrichten. Ook in onderhavige zaak is (in twee zaken gezamenlijk) daarmee rechtmatig € 160,= in rekening gebracht voor het versturen van twee standaardbrieven. De stelling van X dat van de deurwaarder verwacht had mogen worden dat hij telefonisch benaderd was om te bezien of een betalingsregeling mogelijk was, is in het huidige recht dus niet juist.


Ten tweede is in het systeem ingebouwd dat de enige functionaris die een dagvaarding of vonnis in civiele kwesties rechtsgeldig kan bezorgen, een deurwaarder is. De tarieven die een deurwaarder daarvoor in rekening mag brengen, worden bij koninklijk besluit vastgesteld. Daardoor kost het bezorgen / betekenen van een dagvaarding of vonnis meer dan € 80,= (en na 1 juli 2021 meer dan € 100,=). Hoewel volgens de wet de bedoeling is dat die bezorging in persoon geschiedt, is in verband met Covid bepaald dat dit niet meer hoeft. Dit minderwerk voor de deurwaarder heeft niet tot neerwaartse aanpassing van de tarieven geleid. Dat betekent in de praktijk dat voor het enkele uitvoeren van adresverificatie en in de brievenbus deponeren van een envelop een zeer hoge prijs betaald wordt. Ook de kans dat poststukken verkeerd bezorgd worden, is toegenomen nu niet langer geprobeerd hoeft te worden om het aan de persoon zelf uit te reiken. De stelling van X dat het dus efficiënter en goedkoper zou zijn geweest om het poststuk aangetekend aan hem te verzenden, moge juist zijn, maar snijdt desondanks geen hout. Daarmee is ook deze kostenpost van in totaal ruim € 240,= gelegitimeerd.


Ten derde is in het systeem ingebouwd dat voor het aanbrengen van een vordering van meer dan € 500,= een griffierecht verschuldigd is van € 499,=. Dit in relatie tot de hoogte van de vordering hoge griffierecht (nagenoeg 100%) had tot doel om de gerechtelijke incasso van lage(re) vorderingen te ontmoedigen. Nu het bij lage(re) vorderingen echter in haast alle gevallen om eenvoudige incassozaken gaat (waarin de eisende partij dus gelijk krijgt), is het steeds de gedaagde schuldenaar die (in haast alle gevallen bij verstek) via een proceskostenveroordeling dit hoge griffierecht aan de schuldeiser moet terugbetalen. Daarmee is ook de twee keer aan eiser te vergoeden € 499,= aan griffierecht terecht gevorderd.


Ten vierde is in het systeem ingebouwd dat voor het verrichten van elke proceshandeling een standaardvergoeding aan salaris wordt toegekend zodra de procedure door een gemachtigde wordt gevoerd. De hoogte daarvan per proceshandeling is gerelateerd aan de hoogte van de vordering. Voor vorderingen van € 500,= is dat € 124,= per proceshandeling. Dat betekent dat voor het opstellen en aanbrengen van de dagvaarding dit bedrag als salaris gerechtvaardigd is. Hoewel dit bedrag in absolute zin niet hoog is en voor het maken van een ‘echt’ processtuk al snel onvoldoende is, is aannemelijk dat het voor repeatplayers als Infomedics meer dan kostendekkend is. De dagvaardingen van deze schuldeiser zijn namelijk standaard hetzelfde met invulling van vijf tot tien variabelen (wellicht uit een database). Daarmee is ook het salaris gemachtigde toewijsbaar.


Ten vijfde is in het systeem ingebouwd dat een schuldeiser elke vordering afzonderlijk mag incasseren. Er is geen rechtsregel die verlangt dat een schuldeiser samenhangende vorderingen moet ‘opsparen’ en gelijktijdig moet incasseren. In onderhavig geval zou een dergelijke concentratie tot besparing griffierecht (1x € 499,=), tot minder explootkosten (2x € 85,=) en tot minder salaris (1 x € 124,=) hebben geleid. Het feit dat de vordering in deze dagvaarding al bestond op 14 januari 2019 en in theorie dus gemakkelijk meegenomen had kunnen worden met de vordering die leidde tot het verstekvonnis van 20 juni 2020, is dus een gegeven waarmee in de beoordeling geen rekening wordt gehouden.


Beslissing
Het voorgaande voert tot de conclusie dat de vordering van Infomedics toewijsbaar is en dat [gedaagde] in de proceskosten van Infomedics veroordeeld zal worden. Die kosten worden tot op heden begroot op € 499,= aan griffierecht, € 86,85 aan explootkosten en € 248,= (twee proceshandelingen) aan salaris gemachtigde, zijnde in totaal € 833,85.


Naschrift
De rechter wijst terecht op het probleem van de hoog oplopende kosten die voor een groot deel ook door het griffierecht wordt veroorzaakt. Een schuldeiser mag al na één incassobrief incassokosten in rekening brengen en vervolgens gaan dagvaarden. De debiteur heeft geen recht op een betalingsregeling en de schuldeiser hoeft niet z’n best te doen om de debiteur actief te benaderen.
Interessant in dit verband is het onderzoeksrapport “Betalingsregelingen” waarin in kaart wordt gebracht hoe de private markt invulling geeft aan betalingsregelingen en op welke wijze gestimuleerd kan worden dat er, voordat een zaak voor de rechter wordt gebracht, geprobeerd wordt om een haalbare minnelijke betalingsregeling te treffen. Eind 2020 is ook de motie Van Beukering-Huijbregts aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om naar het huidige stelsel van maatschappelijk verantwoorde incasso en deurwaardersactiviteiten te kijken en, na consultatie van diverse brancheorganisaties, verbeteringen in kaart te brengen. Een kabinetsreactie wordt na de zomer verwacht.

Overigens is op het oordeel van de rechter dat hij niets anders zou kunnen dan de vordering toe te wijzen, wel veel af te dingen. De rechter had de vordering van proceskosten kunnen afwijzen. Art. 237 lid 1 Rv bepaalt immers dat de rechter de kosten die nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt, voor rekening kan laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Wanneer je een vordering had kunnen samenvoegen, maar dit niet doet, maak je nodeloos kosten en dat verdient een sanctie.


Meer informatie
- Betalingsregelingen Bevorderen van haalbare betalingsregelingen bij private schuldeisers
- Invordering uit balans. Oplopende kosten bij de invordering van schulden
- Reactie staatssecretaris op rapport “Invordering uit balans”
- Motie Van Beukering-Huijbregts C.S.
- Rb Limburg 2 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4460
 


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn