Vooruitlopen op nieuwe beslagvrije voet? Alleen als het gunstiger is!

Bron: André Moerman

21/06/2020 12:55 uur

Gemeenten moeten bij de invordering van teveel verstrekte uitkering rekening houden met de beslagvrije voet. Dat is ook het geval wanneer dit met de uitkering wordt verrekend. Verschillende gemeenten lopen alvast vooruit op invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet door 5% op de uitkering in te houden. Vaak is dat gunstig, maar niet altijd. Wanneer de huidige beslagvrije voet voor de debiteur gunstiger is, moet deze worden toegepast. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant.





Geen beslag- of verrekenruimte
De huidige beslagvrije voet is gelijk aan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm verhoogt met een deel van de huur, premie ziektekosten en kindgebonden budget. Het komt regelmatig voor dat bij mensen met een minimum inkomen de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen waardoor er geen beslag- of verrekenruimte is. Dit kan bijvoorbeeld het geval bij:

  • hoge woonlasten;
  • een dure aanvullende zorgverzekering;
  • een bijstandsuitkering waarbij de kostendelersnorm wordt toegepast (de hoogste kostendelersnorm is gelijk aan de halve echtparennorm en dus altijd lager dan de beslagvrije voet);
  • een bijstandsuitkering bij jongeren tot 21 jaar (de beslagvrije voet is sinds 1 januari 2020 gelijk aan die van 21 jaar en ouder en sindsdien altijd hoger dan de bijstandsnorm).



Nieuwe beslagvrije voet: de 5%-regel
Na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er altijd sprake zijn van een beslag- of verrekenruimte. Bij een minimum inkomen is de minimale afdracht 5% van het inkomen dat je ontvangt. Het is een bewuste keus van de wetgever dat schulden moeten worden afgelost, ook al is het slechts met een klein bedrag.
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet meerdere keren is uitgesteld, heeft staatssecretaris Van Ark begin 2019 een aantal ‘tussenmaatregelen’ genomen. Eén daarvan was een oproep aan de gemeenten om bij verrekening, anticiperend op de wet, minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.


Gemeente op de vingers getikt
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet nog niet van kracht is zal de gemeente, mocht de huidige beslagvrije voet hoger zijn dan 95% van het inkomen, altijd uit moeten van dit hogere bedrag. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant:

“De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat Orionis kiest voor verrekening, Orionis gebonden is aan de regels die in de Awb aan verrekening van bestuursrechtelijke geldschulden worden gesteld. De regeling van artikel 4:93, vierde lid van de Awb houdt in dat Orionis niet bevoegd is tot verrekening als daarmee onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Orionis is dus gehouden aan die regeling en dient het te verrekenen bedrag zodanig vast te stellen dat niet onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Onder verwijzing naar de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet heeft Orionis zich op het standpunt gesteld dat het maandelijks te verrekenen bedrag 5% van de op eiseres van toepassing zijnde uitkeringsnorm dient te zijn. Zoals de commissie bezwaarschriften van Orionis ook al terecht heeft opgemerkt is deze wet nog niet in werking getreden. Voor een nadelige werking die eiseres van deze wet zou ondervinden, is dan ook (nog) geen plaats. Dit betekent dat de rechtbank uit zal gaan van de huidige wet. Omdat op grond van de huidige regelgeving voor de rechtbank niet vast staat dat eiseres na verrekening van de door Orionis gewenste 5% over een inkomen boven de beslagvrije voet beschikt, zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Ook het primaire besluit zal in zoverre worden herroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, omdat Orionis de hoogte van de beslagvrije voet en daaraan gekoppeld de hoogte van het bedrag dat eventueel kan worden verrekend zal moeten vaststellen in een nieuw te nemen besluit. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 4 weken.

5. Omdat het beroep op het punt van de verrekening gegrond zal worden verklaard, moet Orionis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast zal de rechtbank Orionis in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordelen, zowel in bezwaar als in beroep. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).”


En zo komt het negeren van het advies van de commissie bezwaarschriften de gemeente duur te staan.


Meer informatie
- Rb Zeeland-West-Brabant 17 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1870
- Kamerbrief voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister
- Gemeentenieuws van SZW 2019-4


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht