Nep-schuldregeling

Bron: André Moerman

01/06/2019 10:32 uur

Wanneer een terugvordering teveel ontvangen bijstand deel uitmaakt van het schuldenpakket, wees dan beducht voor de nep-schuldregeling: de gemeente stemt in met een schuldregeling, maar zonder finale kwijting. De gemeente Rotterdam viel bij de rechtbank door de mand toen de kredietbank een dwangakkoord aanvroeg voor een andere schuldeiser. De rechtbank heeft ambtshalve de gemeente Rotterdam eveneens als weigerende schuldeiser aangemerkt en het dwangakkoord tegen finale kwijting opgelegd.



Verplichte terugvordering
Vanaf 2013 is de zogenaamde Fraudewet ingevoerd. Met deze wetswijzing zijn allerlei bepalingen in de sociale zekerheidswetten aangescherpt die betrekking hebben op een schending van de inlichtingenplicht. De term Fraudewet wekt de indruk dat het hier om opzettelijke benadeling gaat, maar er kan ook sprake zijn van een vergissing, vergeetachtigheid of onkunde.
Sinds invoering van de Fraudewet zijn gemeenten wettelijk verplicht om te veel ontvangen uitkering terug te vorderen. Bovendien is in de wet geregeld dat de gemeente gedurende de eerste 10 jaar niet mag instemmen met een schuldregeling tegen finale kwijting. Deze beperking geldt alleen voor schulden aan de gemeente waarvoor een boete is opgelegd. Een schuldregeling zonder finale kwijting mag wel. Maar dat is vaak heel nadelig voor de schuldenaar.


Dwangakkoord
Weliswaar is een schuldregeling tegen finale kwijting gedurende de eerste 10 jaar niet mogelijk, een dwangakkoord kan wel. Op verzoek van de schuldenaar, bijgestaan door de schuldhulpverlener, kan de rechter worden verzocht een weigerachtige schuldeiser te dwingen akkoord te gaan met de schuldregeling. De Hoge Raad heeft al in 2010 bepaald dat dit ook mogelijk is indien de schuldeiser - het betrof in casu het UWV - op grond van de wet niet mag instemmen met een schuldregeling tegen finale kwijting.  Voor het UWV en de SVB geldt de 10-jaarregel namelijk al langer.


Taak van de schuldhulpverlener
Van schuldhulpverlening mag worden verwacht dat ze niet meegaan in een schuldregeling zonder finale kwijting. Schuldhulpverleners zijn aangesteld om hun klanten goed en optimaal te helpen. Dit betekent dat ze de wettelijke instrumenten die er juist zijn om het minnelijke traject te versterken, goed moeten benutten. Bij een fraudeschuld waarbij de gemeente (of UWV of SVB) niet instemmen met een schuldregeling tegen finale kwijting, moet de schuldhulpverlener onderzoeken of een dwangakkoord, en als dat niet lukt WSNP, tot de mogelijkheden behoort. De schuld zonder finale kwijting meenemen in de schuldregeling kan zeer nadelig voor de schuldenaar zijn en schuldhulpverlening schadeplichtig maken.


Nep-schuldregeling
De rechtbank Rotterdam ontving een verzoek om een dwangakkoord vanwege een weigerende schuldeiser. Een vordering van de gemeente Rotterdam maakte deel uit van het schuldenpakket. De gemeente Rotterdam had ingestemd zonder finale kwijting. In het saneringsvoorstel aan de andere schuldeisers was deze bevoordeling niet openlijk gecommuniceerd. De rechtbank Rotterdam heeft de gemeente, ondanks dat hier niet om was verzocht, eveneens als weigerende schuldeiser aangemerkt en het dwangakkoord tegen finale kwijting opgelegd.

De rechtbank overweegt het volgende:

“Echter, de regeling met de gemeente Rotterdam wijkt af van de aan de andere schuldeisers aangeboden regeling, nu de Gemeente Rotterdam geen finale kwijting heeft verleend. De met de Gemeente Rotterdam getroffen regeling is in feite niet meer dan een betalingsregeling. De gemeente Rotterdam wordt aldus bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers, die wel afstand doen van het restant van hun vorderingen. Uit de aanbiedingsbrief van 11 juli 2018 blijkt niet dat de andere schuldeisers op de hoogte zijn gebracht van de bevoorrechte positie van de Gemeente Rotterdam. De andere schuldeisers hadden de mogelijkheid moeten krijgen om vrijwillig in te stemmen met die ongelijke behandeling. Dat de onderhavige begunstiging van de Gemeente Rotterdam plaatsvindt op grond van een wettelijke regelgeving waar de Gemeente Rotterdam zich op beroept doet hier niets aan af. De rechtbank begrijpt het standpunt van de Gemeente Rotterdam wel dat zij zelf geen finale kwijting kan verlenen nu zij de imperatieve bepaling van artikel 60c Pw moet volgen, maar stapt hier in het kader van de belangenafweging bij een dwangakkoord overheen. De rechtbank is van oordeel dat de Gemeente Rotterdam in onderhavig geval als weigerende schuldeiser dient te worden aangemerkt nu zij feitelijk niet akkoord gaat met het aangeboden voorstel tegen finale kwijting. Een voorwaarde waarmee alle schuldeisers moeten instemmen. Van een uitzonderingspositie voor de Gemeente Rotterdam is geen sprake. De rechtbank begrijpt artikel 60c Pw aldus dat het de Gemeente Rotterdam verbiedt eigener beweging in te stemmen met een schuldregeling (tegen finale kwijting), maar die bepaling beperkt de rechtbank niet in haar belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 Fw. Immers bij die belangenafweging gaat het niet alleen om de beoordeling of de weigerende schuldeiser in redelijkheid tot die weigering kon komen (daar mag in deze wel vanuit worden gegaan gezien de inhoud van artikel 60c Pw) maar ook om de belangen van de overige schuldeisers en van verzoekster. Ter zake de overige schuldeisers geldt hier dat zij met de regeling financieel beter af zijn dan bij een toepassing van de schuldsaneringsregeling. Voor verzoekster geldt daarnaast nog dat zij bij toelating tot de schuldsaneringsregeling ook de schone lei kan verdienen van de vordering van de Gemeente Rotterdam waar artikel 60c Pw op ziet. Daarnaast mocht verzoekster erop vertrouwen dat het aanbod inhoudelijk op de juiste wijze tot stand zou zijn gekomen. Bovendien is het ontbreken van finale kwijting strijdig met het doel van een schuldsaneringsregeling, te weten het verkrijgen van een schone lei.”

Getouwtrek
Bij veel gemeenten verloopt een schuldregeling tegen finale kwijting moeizaam. Vanwege de beperkte wettelijke ruimte wordt de eerste 10 jaar slechts ingestemd met een schuldregeling zonder finale kwijting. Menig schuldhulpverlener gaat hierin mee, zo blijkt ook weer uit de bij de rechtbank Rotterdam gevoerde procedure.

En wanneer schuldhulpverlening tegen de eigen gemeente een dwangakkoord aanvraagt leidt dat tot veel onbegrip, met als gevolg dat dit maar weinig gebeurt.

In feite is de gemeente belast met de uitvoering van wetgeving die haaks op elkaar staan. Zolang hier geen oplossing voor komt, dient ieder vanuit z’n eigen wettelijk kader te handelen. Wellicht kan er achter de schermen stiekem ingestemd worden met een schuldregeling tegen finale kwijting, maar zolang dat niet gebeurt, dient waar mogelijk een dwangakkoord te worden aangevraagd.


Wetswijzing nodig
Het is absurd dat wetgeving een minnelijke schuldregeling bemoeilijkt en dat telkens de weg via de rechter moet worden bewandeld. De ene afdeling van de gemeente moet de andere afdeling van de gemeente via de rechter dwingen in te stemmen met een schuldregeling.
De wet moet nodig worden aangepast. In alle sociale zekerheidswetten zou, in lijn met de WSNP, de termijn om in te mogen stemmen met een schuldregeling gesteld moeten worden op 5 jaar in plaats van 10 jaar. In de praktijk zal dit betekenen dat men in totaal 5+3=8 jaar aflost.


Meer informatie
- Rb Rotterdam 3 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4362
- Haakse wetgeving fraudeschulden
- Rb Gelderland 22 februari 2018, C/05/330925 FT RK l 7/2278 Rk 
- Achtergrond info terugvordering uitkering
Reageren?



« Nieuwsoverzicht