Rauwelijks gedagvaard door Menzis

Bron: André Moerman

03/02/2019 18:19 uur

Wanneer een betalingsregeling is getroffen en een betaling niet op tijd plaatsvindt, komt in veel gevallen de regeling te vervallen en wordt de vordering in z’n geheel opeisbaar. Reden om te dagvaarden. Maar met een dagvaarding, vonnis en beslag lopen de kosten alleen maar verder op, terwijl daar nu juist geen geld voor is. Kantonrechter Staal van de rechtbank Limburg maakt korte metten met zo’n handelwijze. Iemand die geruime tijd keurig een betalingsregeling nakomt en er gaat vervolgens wat mis, kun je niet ineens zo maar gaan dagvaarden.



   foto: Gerd Altmann


De kantonrechter komt tot de volgende beoordeling.

De opstelling van Menzis en/of haar gemachtigde roept ook dit keer weer vragen op. Die was / is formeel of liever formalistisch en niet gericht op oplossing van een reëel probleem, althans zonder oog voor het evidente belang van een in een afhankelijke schuldpositie verkerende maar onmiskenbaar coöperatieve verzekerde.
Om te beginnen wordt Menzis er ook dit keer maar weer eens op geattendeerd dat zij met haar veel te globale processtukken zelf steken laat vallen die doen twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee zij haar klanten bejegent. De aan een eisende partij (…) opgelegde processuele verplichtingen tot correct en zorgvuldig procederen lappen Menzis en het gemachtigde deurwaarderskantoor in belangrijke mate aan hun laars. Daarmee doen zij hun wederpartij onrecht en brengen zij de rechter - indien en voor zover de gedaagde partij het beeld niet corrigeert - op een dwaalspoor. Tot het van de aanvang af vereiste substantiëren van de vordering en het naar waarheid en volledig onderbouwen van haar grondslagen behoort immers - om maar wat voorbeelden te noemen - dat Menzis inzicht had moeten bieden in aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze van uitvoering, de facturering, de vraag of, waarom en wanneer ter zake van een opeisbare vordering betalingsverzuim van de debiteur ingetreden is en de eventuele doorbreking van die opeisbaarheid ten gevolge van een regeling tot afbetaling. Merendeels heeft Menzis zelfs bij repliek dit inzicht niet geboden.

Waar X zelf in zijn antwoord het al gedurende twee jaar bestaan van een betalingsregeling in combinatie met informatie over zijn nijpende schuldenpositie als relevant gegeven te berde gebracht had, heeft Menzis dit niet bestreden. Zij heeft op haar beurt slechts ten aanzien van de in juni 2018 aangepaste afspraak een tipje van de sluier opgelicht. Daarbij is vooral de nadruk gelegd op wat X fout deed zonder acht te slaan op het onbetwist gebleven feit dat X (of zijn echtgenote die in een gelijke positie verkeert) al geruime tijd braaf aflossingen verricht. Ook verzweeg Menzis dat zij thans met X als verzekerde geen premierelatie onderhoudt omdat zijn (niet ‘vrijwillige’) schulden uit het verleden nog steeds in de weg staan aan een volwaardige verzekering. X is tot nu toe verplicht genoegen te nemen met de veel duurdere bestuursrechtelijke voorziening voor de verzekering van ziektekosten. Dat gegeven alleen al had Menzis tot voorzichtigheid en zorgvuldigheid moeten bewegen in de behandeling van een over de jaren 2015, 2016 en 2017 opgebouwde vordering aan ‘eigen risico’. Een vordering die voor een normale schuldenaar overzienbaar zou moeten zijn (€ 771,97 in hoofdsom totaal), maar die dit kennelijk voor X allerminst is. De schuld staat immers niet op zichzelf en bij betaling dient ieder bedrag afgewogen te worden tegen een andere uitgave.

Inmiddels heeft X stapsgewijs bijna het gehele bedrag in hoofdsom voldaan (€ 465,19 was al ten tijde van dagvaarding afgelost, en nadien is blijkens de repliek nog € 195,00 in mindering door Menzis ontvangen, terwijl de kantonrechter er van uitgaat dat X zijn belofte gestand gedaan heeft om ook na medio november 2018 € 65,00 per maand te blijven voldoen. Dit betekent dat Menzis alleen buiten rechte én vervolgens in rechte tracht niet alleen kosten van invordering te maken, maar ook deze op X te verhalen. En dat waar zij weet, althans zich zou moeten realiseren, dat X iedere euro moet omdraaien en elk kostenbedrag kan missen als kiespijn. Menzis heeft in deze procedure de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat er in september 2018 een objectieve noodzaak bestond om de lopende betalingsregeling (zelfs na een voorafgaande waarschuwing) als beëindigd te beschouwen omdat door stornering van een onderweg zijnd bedrag van € 65,00 de laatste termijn niet stipt op tijd kwam. Juist omdat X er in het nabije verleden blijk van gegeven had de zaak in geen enkel opzicht te willen traineren, had Menzis (via “GGN”) moeten nagaan of er iets misgegaan was dat zich voor eenvoudige correctie leende. Dat die correctie er alsnog op initiatief van X zelf kwam, leert het vervolg.

Het gebrek aan redelijke noodzaak van het doen uitbrengen van een dagvaarding aan X krijgt extra inkleuring door na te gaan of Menzis wel aangetoond heeft dat ten tijde van dagvaarding sprake was van betalingsverzuim van X. De betalingsherinnering van “GGN” d.d. 27 augustus 2018 is niet als ingebrekestelling aan te merken en bevat ook niet de boodschap dat de betalingsregeling vervallen is. Ook aan de brief van 7 juni 2018 over de verlengde regeling kan niet ontleend worden dat verzuim bij (beperkte) nalatigheid van de schuldenaar in het voldoen van een enkele termijn van rechtswege intreedt. Dit betekent dat X eerst in betalingsverzuim geraakt is als gevolg van de daad van dagvaarding en wel per 10 oktober 2018, de dag waartegen hij in rechte opgeroepen werd. Maar op die dag had Menzis, zoals uit de repliek blijkt, al twee bedragen van € 65,00 extra geïncasseerd en was al weer bijna een derde termijn onderweg. (...) Dit betekent dat de veroordeling van X tot betaling van enig restbedrag beperkt moet blijven tot hetgeen na de laatst bekende termijnbetaling van 24 oktober 2018 aan hoofdsom resteert: € 111,78. Wel wordt daarover de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 toewijsbaar geacht. Het is dus heel wel denkbaar dat X met verdere aflossingen na 24 oktober 2018 het stadium bereikt heeft dat hij meer voldeed dan hij krachtens dit vonnis nog verschuldigd is. Hij kan dan tegenover Menzis op restitutie van dit verschil aanspraak maken.

Daarbij komt dat Menzis in het licht van het voorgaande als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen wordt. Voor het tweevoudig bezoeken van de rolzitting voor het leveren van verweer worden de kosten aan de zijde van X begroot op tweemaal een bedrag van € 36,00 (half salaris gemachtigde) ofwel € 72,00. Menzis zal tot betaling daarvan veroordeeld worden zonder dat dit onderdeel uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad omdat daar nu eenmaal door X niet om gevraagd is. Er wordt evenwel op vertrouwd dat dit door Menzis netjes in de verdere afwikkeling van de zaak betrokken wordt.


De beslissing
De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

  • De tot 24 oktober 2018 becijferde vordering van Menzis wordt slechts tot een bedrag van € 111,78 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 tot de datum van volledige betaling, onder veroordeling van X om een eventueel thans nog openstaand saldo aan Menzis te betalen.
  • Het vonnis wordt op dit onderdeel uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
  • Menzis wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten die aan de zijde van X bepaald zijn op een bedrag van € 72,00.
  • Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.


Naschrift
Menzis heeft het manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog werk aan de winkel.


Meer informatie
- Rb Limburg 16 januari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:331
- Achtergrondinfo deurwaarderskosten


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht