Het minnelijk traject en de onvindbare schuldeiser

09/04/2016 19:27 uur

Voordat een verzoek gedaan kan worden voor een wettelijke schuldsaneringsregeling, moet de schuldhulpverlener proberen in een buitengerechtelijke schuldregeling een minnelijke regeling te treffen met de schuldeisers. Onwillige schuldeisers kunnen door middel van een dwangakkoord gebonden worden aan een minnelijke regeling. Maar wat nu als een schuldeiser onvindbaar is? Kan er dan een minnelijk traject worden opgestart? Wat wordt van de schuldhulpverlener verwacht?



  foto: www.opticsmag.com

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft recent een uitspraak gedaan over deze vraag die gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk.

De zaak betrof een kleine ondernemer die zijn winkelpand en woning huurde van een particulier. De huurschuld was opgelopen tot meer dan € 21.000,-- op een totale schuldenlast van iets meer dan € 74.000,--. De rechtbank had de huurovereenkomsten ontbonden en de vordering achterstallig huur toegewezen. Na een periode op straat en in de crisisopvang te hebben verbleven, was de situatie van de schuldenaar gestabiliseerd, zodanig dat het schuldhulptraject opgestart kon worden. Vervolgens liep de schuldhulpverlener ertegen aan dat de verhuurder niet reageerde op brieven die verzonden werden naar het bekende adres. Contact met de deurwaarder leerde dat deze het dossier gesloten had. Google leverde niets op. Daarop werd besloten het minnelijk traject te staken zonder dat aan de schuldeisers een aanbod was gedaan.

De rechtbank verklaarde het verzoek om een wettelijke schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat er geen reële poging gedaan was om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, omdat er geen aanbod was gedaan. Dat is toegestaan, maar dan moet het minnelijk traject geen redelijke kans van slagen hebben. De rechtbank vond in dit geval dat de schuldhulpverlener onvoldoende had gedaan om tot een oplossing te komen. De rechtbank noemde drie mogelijkheden:
  1. de schuldhulpverlener had een voorstel aan de deurwaarder kunnen sturen;
  2. er had een aanbod gedaan kunnen worden aan de overige schuldeisers met inachtneming van de huurschuld;
  3. het is mogelijk een dwangakkoord te treffen met openbare oproep.  

Het Hof heeft de niet-ontvankelijkheid bekrachtigd. Het Hof is het met de rechtbank eens dat een dwangakkoord getroffen had kunnen worden met openbare oproep. Het Hof voegt daaraan nog toe dat de schuldhulpverlener met hulp van een advocaat een BRP-onderzoek had kunnen verrichten.

Is een schuldeiser onvindbaar, dan is het aan te raden een BRP-onderzoek te doen en in het geval van een commerciële partij een KvK-onderzoek. Staat de schuldeiser ingeschreven op een bekend adres, dan mag de schuldhulpverlener er vanuit gaan dat de schuldeiser daar woont. Reageert die schuldeiser niet, dan kan – suggereert het Hof – de schuldeiser op normale wijze opgeroepen worden voor een dwangakkoord. Komt de schuldeiser niet, dan wordt deze bij verstek veroordeeld.

Als de schuldeiser geen bekend adres heeft, dan kan er ook een dwangakkoord getroffen worden. Alleen moet de schuldeiser dan openbaar opgeroepen worden. De openbare oproep heeft rechtsgevolg. Namelijk dat de schuldeiser zich later er niet op kan beroepen dat het dwangakkoord op hem niet van toepassing is. Hij had kunnen weten dat hij werd opgeroepen en had zich dan ook kunnen verweren.

Opmerkelijk is wel dat een dwangakkoord bedoeld is om onwillige schuldeisers tot een akkoord te bewegen, waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden. Dat is i.c. niet het geval. Daarmee lijkt het Hof het toepassingsbereik van het dwangakkoord te hebben verruimd.

Een laatste opmerking. Een dwangakkoord treffen brengt kosten met zich. Die kunnen mogelijk niet verhaald worden op de schuldeiser. Dat brengt een complicerende factor met zich in de relatie met de klant: wie draait voor die kosten op?

Meer informatie
- Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2016 (zaaknr.: 200.182.314)


Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht