Schuldhulp ten onrechte beëindigd wegens nieuwe schulden

Bron: André Moerman

01/02/2015 11:20 uur

Een veelvoorkomende reden om schuldhulpverlening te beëindigen is het ontstaan van nieuwe schulden. Maar wanneer is sprake van het ontstaan van een nieuwe schuld? De Raad van State moest in hoger beroep beoordelen of de schuldhulpverlening terecht was beëindigd o.a. vanwege een toeslagschuld en een jaarafrekening energie.



Beëindiging schuldhulp

De schuldhulpverlening aan X is voortijdig beëindig en het daartegen gerichte bezwaar is ongegrond verklaard. Het college heeft hierbij aangevoerd dat X een gezamenlijke huishouding met een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner voert, geen stabiele woon- of leefsituatie heeft en nieuwe schulden is aangegaan.


Oordeel rechtbank
X is tegen het afgewezen bezwaar in beroep gegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college van B&W op grond van de beleidsregels bevoegd was het schuldhulpverleningstraject te beëindigen, omdat X na 1 september 2011 nieuwe schulden is aangegaan bij zorgverzekeraar Azivo, de Belastingdienst/Toeslagen en de Nederlandse Energie Maatschappij (hierna: de NEM).


X gaat in hoger beroep
X betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dat oordeel is gekomen. De schuld bij Azivo betreft niet betaalde ziektekostenpremies voor de zorgverzekering van zijn echtgenote. Zijn echtgenote heeft echter geen rechtmatig verblijf in Nederland en is daarom niet gerechtigd om een ziektekostenverzekering af te sluiten. De schuld moet volgens X daarom worden geacht niet te bestaan.
De schuld bij de Belastingdienst/Toeslagen is ontstaan doordat de dienst over 2008 en 2009 toegekende huur- en zorgtoeslag van hem heeft teruggevorderd op de grond dat zijn echtgenote geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Deze terugvordering is volgens X echter onrechtmatig, want discriminatoir. De daardoor ontstane schuld mag volgens X daarom geen aanleiding zijn voor de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject.

Dat geldt volgens hem eveneens voor de niet betaalde rekening van de NEM. Allereerst omdat het een eindafrekening betreft en voorts omdat het op grond van een budgetbeheerovereenkomst aan de gemeente was om de rekeningen van dit bedrijf rechtstreeks uit zijn bijstandsuitkering te betalen. Gelet hierop kan hem niet het verwijt worden gemaakt dat de eindafrekening niet is betaald en daarmee een nieuwe schuld is ontstaan, aldus X.


Oordeel Raad van State over vonnis rechtbank
De rechtbank heeft niet onderkend dat de schuld bij Azivo geen nieuwe schuld betreft die beëindiging van het schuldhulpverleningstraject van X rechtvaardigt, nu die schuld niet door X, maar door zijn echtgenote is aangegaan.

Ook de schuld bij de Belastingdienst/Toeslagen kan niet als zodanige schuld worden aangemerkt, omdat die is ontstaan door de terugvordering van voor de aanvang van het schuldhulpverleningstraject verstrekte toeslagen en de reden van de terugvordering niet is gelegen in het handelen of nalaten van X na aanvang van dat traject.

Ten slotte kan X niet worden verweten dat een nieuwe schuld bij de NEM is ontstaan, omdat het aan het college was om de rekeningen van dit bedrijf uit zijn bijstandsuitkering te voldoen. Daar komt bij dat het college niet heeft betwist dat het een jaarafrekening van een energieleverancier betreft, waarvoor in zijn algemeenheid geldt dat het voor afnemer van energie op voorhand niet altijd duidelijk is of hij moet bijbetalen of geld terugontvangt.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat X na aanvang van de schuldhulpverlening nieuwe schulden bij Azivo, de Belastingdienst/Toeslagen en de NEM is aangegaan en daarom bevoegd was het schuldhulpverleningstraject te beëindigen.


Oordeel Raad van State over andere beroepsgronden
De Raad van State moest ook de andere in beroep aangevoerde gronden bespreken, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.

Niet (tijdig) melden dienstverband
In het besluit op bezwaar van 2 december 2013 heeft het college zich voorts op het standpunt gesteld dat X een nieuwe schuld bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (DSZW) heeft laten ontstaan.  X heeft volgens DSZW niet dan wel niet tijdig doorgegeven dat hij met ingang van 5 juni 2012 een dienstverband heeft, waardoor hij in die maand ten onrechte bijstandsuitkering heeft ontvangen, die nadien door de DSZW is teruggevorderd.

X voert terecht aan dat uit de Eindrapportage Schuldbemiddeling blijkt dat hij in juni 2012 het college wel degelijk melding van zijn nieuwe dienstverband heeft gedaan. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat deze melding niet tijdig was, wordt overwogen dat X het dienstverband in het kader van een werkgelegenheidsproject van de DSZW heeft gekregen en uit de start- en voortgangsrapportages van het project blijkt dat de DSZW in ieder geval op 25 mei 2012 wist dat X het dienstverband met ingang van 5 juni 2012 zou starten. Gelet hierop moet de DSZW worden geacht tijdig op de hoogte te zijn geweest.

Niet rechtmatig verblijf echtgenote
Ten slotte heeft X terecht betoogd dat het college op het moment van aanvang van het schuldhulpverleningstraject ermee bekend was dat zijn echtgenote niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat dit nadelige gevolgen had voor zijn aanspraak op toeslagen en de hoogte van zijn bijstandsuitkering, zodat hierin in redelijkheid geen grond voor beëindiging van het schuldhulpverleningstraject kan zijn gelegen.


Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond. Het college van B&W wordt veroordeeld in de proceskosten ad. 1.960,00 en betaling van het griffierecht ad. € 290,00. Het college van B&W moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit nemen.


Meer informatie
- Raad van State 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:197 
- Meer uitspraken mbt schuldhulpverlening
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht