Overzicht tuchtrechtspraak deurwaarders 2014-01

Bron: André Moerman

16/02/2014 13:02 uur

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden oktober 2013 t/m januari 2014.



Gevolgen bankbeslag, bevoegdheid tuchtrechter t.o.v. civiele rechter

Aan een beslag onder een bank is geen beslagvrije voet verbonden. Het betreft geen beslag op een vordering tot periodieke betaling. Dit betekent echter niet dat een schuldeiser zich in het geheel geen rekenschap hoeft te geven van de gevolgen van het leggen van een dergelijk beslag. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor degene ten laste van wie het beslag is gelegd als gevolg daarvan niet meer in staat zou zijn om in zijn primaire levensonderhoud te voorzien. Een beoordeling daarvan is aan de civiele rechter. Wel kan het zijn dat een beslag zo evident onrechtmatig is, dat de gerechtsdeurwaarder die desondanks het beslag heeft gelegd daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden. Dat is hier niet het geval. Klacht ongegrond. >>> Uitspraak 1 Zie ook >>> Uitspraak 2

Geen tijdige en correcte vaststelling beslagvrije voet

Uitgangspunt is dat de regeling van de beslagvrije voet een kwestie van groot maatschappelijk belang is. De wetgever heeft met die regeling willen waarborgen dat de beslagene in staat blijft om de kosten van de primaire levensbehoeften te voldoen. Er bestaat groot belang bij een tijdige en correcte vaststelling van een beslagvrije voet. De Kamer is van oordeel dat er geen tijdige herberekening van de beslagvrije voet heeft plaatsgevonden en er evenmin grote zorgvuldigheid is betracht. De voor een juiste berekening van de beslagvrije voet benodigde informatie is op 28 september 2012 door de gerechtsdeurwaarder ontvangen. Correcte herberekening vindt echter pas op 27 november 2012 plaats. In antwoord op een door klager bij de gerechtsdeurwaarder indiende klacht, wordt hem zelfs een rechtens onjuist standpunt medegedeeld, dat er geen beslagvrije voet bij beslag op de voorlopige teruggaaf zou gelden. Dit wordt pas nadat klager een klacht bij de Kamer heeft ingediend rechtgezet. Bovendien heeft deze reactie op de klacht niet binnen redelijke termijn plaatsgevonden. De Kamer acht deze gang van zaken tuchtrechtelijk laakbaar en legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op. >>> Uitspraak  

Halvering beslagvrije voet, terwijl geen redelijk vermoeden dat debiteur een partner heeft
De kamer is het niet met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet gegrond. Tot uitgangspunt dient dat als de debiteur wordt verzocht om op te geven hoeveel het inkomen van zijn of haar partner bedraagt en de debiteur doet dat niet, dan koppelt de wet daar de sanctie aan van halvering van de beslagvrije voet. De beslagvrije voet mag dus alleen worden gehalveerd indien het inkomen van de partner niet wordt opgegeven. Als de debiteur zijn of haar eigen inkomsten niet (of niet juist) opgeeft, ontbreekt een sanctie. De wetgever heeft deze sanctie uitdrukkelijk niet in de wet willen opnemen. Van halvering van de beslagvrije voet op grond van dit artikel kan alleen sprake zijn, indien de deurwaarder een redelijk vermoeden heeft dat de debiteur een partner heeft. Indien evident is dat als de debiteur alleenstaand is, mag de beslagvrije voet nooit worden gehalveerd. Uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde productie 2 bij zijn pleitnota blijkt dat klaagster bij brief van 6 februari 2012 de gerechtsdeurwaarder een ingevuld formulier inkomsten en uitgaven heeft toegezonden. Daarmee heeft klaagster dus voldaan aan het verzoek opgave te doen van haar bronnen van inkomsten. In dat formulier staat vermeld dat klaagster een eenoudergezin met drie kinderen vormde. Bij de inkomsten van de man staat dan ook begrijpelijkerwijze niets ingevuld. Klaagster was gescheiden en had geen partner aan wie samen met haar gezinsbijstand zou kunnen toekomen. Dat de gerechtsdeurwaarder een redelijk vermoeden had dat klaagster een partner had, en waar dat vermoeden op was gebaseerd, is door hem niet gesteld. Er is ook niet gebleken dat klaagster geen informatie wilde verstrekken. De gerechtsdeurwaarder heeft de beslagvrije voet naar eigen zeggen gehalveerd omdat volgens hem door klaagster het formulier onvolledig en niet juist was ingevuld. Daarop staat geen sanctie en kan dus geen grond opleveren om de beslagvrije voet te halveren. De beslissing van de voorzitter wordt vernietigd en de klacht wordt gegrond verklaard. Maatregel van berisping opgelegd. >>> Uitspraak  

Beslagvrije voet ten onrecht op nihil en niet onverwijld aangepast
Het maatschappelijk belang van een juiste toepassing van de beslagvrije voet vergt een snelle en correcte aanpassing daarvan indien daartoe aanleiding bestaat. De Kamer rekent het de gerechtsdeurwaarder in het bijzonder aan, dat zij in het geheel geen verklaring heeft kunnen geven waarom de beslagvrije voet bij beslag op de voorlopige teruggaaf belastingen op nihil is gesteld, terwijl daarvoor geen aanleiding was. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder niet kunnen toelichten waarom de beslagvrije voet niet onverwijld is aangepast.  Klachten gegrond, maatregel van berisping opgelegd. >>> Uitspraak

Te lang wachten met beslag leggen
De gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat het te lang heeft geduurd voordat er beslag is gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat hij zich in de contacten met LBIO pro-actiever had kunnen opstellen. Dat heeft hij niet gedaan en in die zin acht de Kamer de klacht gegrond. Geen maatregel opgelegd. >>> Uitspraak 

Te hoog berekende rente
Hof acht het onbetamelijk dat de deurwaarder, ondanks meerdere verzoeken van klager, nagelaten heeft uitleg te geven over de opbouw van de berekende rente. Met name de hoogte van het gevorderde bedrag aan rente (een bedrag van € 4.777,73 bij een hoofdsom van € 4.151,18), had de deurwaarder aanleiding moeten geven de juistheid van het rentebedrag te controleren. De rente had € 1.407,72 moeten zijn. De klacht dat de rente door toedoen van de deurwaarder onnodig hoog is opgelopen, is ongegrond. Hof acht aannemelijk dat vanaf het moment van de ontruiming van de woning door klager op 4 december 2002 tot november 2011, tevergeefs is getracht de vordering ter zake van de proceskosten te incasseren. Hof legt als maatregel een berisping op. >>> Uitspraak 

Meer informatie
- overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
- website tuchtrechtspraak
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht