Gevolgen wetsvoorstel maatregelen wwb beslagvrije voet

Bron: LOSR MOgroep

15/12/2013 10:06 uur

Het Wetsvoorstel maatregelen WWB zal grote gevolgen hebben voor het bestaansminimum van kwetsbare burgers. Een maatregel van drie maanden geen uitkering en een wachttijd van 4 weken bij een uitkeringsaanvraag zorgen daarvoor. Naast deze te verwachten problemen vraagt de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR MOgroep) ook aandacht voor de gevolgen van het wetsvoorstel voor de beslagvrije voet. Deze gevolgen zijn ingrijpend en tot nu toe onderbelicht gebleven. Op schuldinfo aandacht voor de reactie van de LOSR/MOgroep op dit onderdeel van het wetsvoorstel.




Kostendelersprincipe en de beslagvrije voet

De LOSR/MOgroep maakt zich grote zorgen over de consequenties van het Wwb-wetsvoorstel voor de hoogte van de beslagvrije voet. Een op zichzelf logisch gevolg van de invoering van de kostendelersnorm (een lagere uitkering bij meerpersoonshuishoudens) is dat ook de systematiek waarop de beslagvrije voet wordt berekend, moet worden aangepast.
Op het eerste oog lijkt dit niet ingewikkeld, mits de invorderingsafdelingen van de overheid en de gerechtsdeurwaarders over alle gegevens beschikken om de beslagvrije voet correct te berekenen. In de huidige praktijk leidt dit echter al tot grote problemen.
Het niet beschikken over alle informatie heeft tot gevolg dat de beslagvrije voet te laag wordt vastgesteld. Bijvoorbeeld omdat de beslagvrije voet gehalveerd wordt als het inkomen van de partner niet bekend is. 
De oorzaken van niet beschikbare of bekende informatie liggen in een breed spectrum van valkuilen variërend van in  psychosociaal onvermogen c.q. een te kort aan kennis en vaardigheden bij de debiteur tot aan het op een ondoorzichtige wijze inwinnen van informatie door invorderingsafdelingen van de overheid en de deurwaarder. Dit laatste is ook waar het rapport “Met voeten getreden” van de Nationale ombudsman aandacht voor vraagt.

De LOSR/MOgroep voorziet met zorg dat met de invoering van de voorgestelde Wwb-wetswijziging een te lage beslagvrije voet veel vaker voor zal gaan komen, vanwege het ontbreken van informatie.

Neem als voorbeeld de volgende situatie:
Op het inkomen van een alleenstaande moeder met drie thuiswonende kinderen van 18, 20 en 22 jaar wordt beslag gelegd. Wanneer niet over de gegevens wordt beschikt om de beslagvrije voet te kunnen berekenen, zal de beslagvrije voet aan de hand van de gegevens uit het gba als volgt worden berekend.

90% van (((40% + 4 x 30%) : 4) x € 1354,54) = € 487,63

Wanneer aangetoond wordt dat alle kinderen studerend zijn bedraagt de beslagvrije voet:

90% van (((40% + 1 x 30%) : 1) x € 1354,54) = € 853,36


Als de debiteur niet over de informatie kan beschikken
Als de debiteur weet en in staat is om informatie te verstrekken om de beslagvrije voet correct te berekenen, zal hij toch niet altijd over alle benodigde informatie kunnen beschikken.

Om te voorkomen dat een medebewoner als kostendeler meetelt, zal de debiteur bijvoorbeeld moeten kunnen aantonen dat betrokken medebewoner studeert, of dat het een onderhuurder betreft. Het is maar zeer de vraag of betrokkene (wanneer het geen familie betreft) bereid is deze informatie (tijdig) te verstrekken.

Bovendien bepaalt het wetsvoorstel dat de beslagvrije voet wordt verhoogd met een deel van de woonkosten naar rato van het aantal meerderjarige personen die meetellen voor de kostendelersnorm. Dus bij twee medebewoners mag de helft van de woonkosten bijgeteld worden bij de beslagvrije voet. Maar ook hier geldt dat betrokkene wel over de gegevens moet kunnen beschikken van de woonkosten (huur- of hypotheekrente) en de huurtoeslag.


Door loonbeslag onder bijstandsniveau
Wanneer een moeder met een zoon van 18, 19 of 20 jaar woont en ze ontvangen allebei bijstand, dan ontvangen ze de volgende bedragen
- moeder 50% x € 1354,54 = € 677,27
- zoon 50% x 468,02 = € 234,01
Gezamenlijk is dit € 911,28.

Dit is gek genoeg minder dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande ad. € 948,18.

In deze situatie zal de gemeente wanneer het kind geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de andere ouder, op grond van art. 12 Wwb aanvullende bijzondere bijstand verstrekken. Veelal zal de gemeente het totaal inkomen aanvullen tot aan de norm gelijk aan 90% van de echtparennorm. Dat wil zeggen 1219,09 euro. Dit komt neer op een aanvullende bijzondere bijstand van € 307,81.

Wanneer in deze situatie de moeder geen WWB-uitkering maar een looninkomen heeft, en op dat inkomen is beslag gelegd, dan bedraagt de basisnorm voor de beslagvrije voet 90% van 677,27 = 609,54.

Aangezien dit een te laag inkomen is zal er in beginsel aanvullende bijzondere bijstand verstrekt moeten worden door de gemeente van zo’n € 300 per maand.

Het zou niet moeten zijn dat je door beslag onder het bestaansminimum terecht komt en dat dit met bijzondere bijstand hersteld moet worden. Bij de eerdere inmiddels weer ingetrokken wetswijziging mbt de huishoudinkomenstoets werd al voor dit fenomeen gewaarschuwd. Met het Wwb-wetsvoorstel lijkt de overheid dezelfde fout te herhalen.

Aanbeveling LOSR:
Onderzoek voordat de maatregelen zouden worden uitgevoerd eerst welke effecten de maatregelen hebben op de beslagvrije voet en rapporteer dit terug naar de Tweede Kamer.



Beslagvrije voet bij verblijf in inrichting, verpleeg- of verzorghuis
Aangezien dit wetsvoorstel de bepaling van de beslagvrije voet wijzigt, geeft dit meteen de mogelijkheid om een onjuiste interpretatie van de wet te corrigeren, waarbij de beslagvrije voet voor mensen die in een zorginstelling te laag wordt vastgesteld.

Art. 475d lid 4 Rv bepaalt:
“Indien de schuldenaar ter verzorging of verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen bedraagt de beslagvrije voet de prijs die is verschuldigd voor verzorging dan wel verpleging. De beslagvrije voet wordt verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm genoemd in artikel 23 van de Wet werk en bijstand.”

In art. 23 WWB staat:
Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 300,15
b. gehuwden: € 466,85.
Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 39,00;
b. voor gehuwden € 84,00.

Deurwaarders hanteren op basis van een grammaticale interpretatie van de wettekst de volgens beslagvrije voet norm voor een alleenstaande (ouder):

2/3 van (300,15 + 39) = € 226,10

Volgens deze grammaticale interpretatie wordt slechts 2/3 van de normpremie zoals vermeld in art. 23 lid WWB genomen. De bijstandsnorm voor verpleegden en verzorgden is echter verhoogd met de normpremie omdat betrokkene anders niet de premie ziektekostenverzekering kan betalen. Rekening houdend met de bedoeling van de wetgever moet bij de berekening van de beslagvrije voet de normpremie dan ook volledig worden meegenomen (in plaats van 2/3). Dit levert de volgende berekening van de beslagvrije voet op:

(2/3 van 300,15) + 39 = € 239,10

Door de belastingdienst en in de vtlb-berekening voor de WSNP wordt uitgegaan van deze wetshistorische interpretatie.

Dit verschil van € 13 lijkt weinig maar is voor mensen met zo’n laag inkomen van wezenlijk belang.

Aanbeveling LOSR:
Dit verschil in interpretatie van art. 475d lid 4 Rv kan eenvoudig worden verholpen door de tweede zin met de volgende tekst te vervangen:
“De beslagvrije voet wordt verhoogd met twee derden van de bijstandsnorm genoemd in artikel 23 lid 1 van de Wet werk en bijstand, verhoogd met de normpremie genoemd in artikel 23 lid 2 van de Wet werk en bijstand.”



Meer informatie
- Volledige brief LOSR MOgroep als reactie op wetsvoorstel maatregelen WWB
- Loonbeslag, wie gaat dat betalen? De gevolgen van de huishoudtoets voor de beslagvrije voet.
- Wetsvoorstel maatregelen WWB
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht