SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Schulden regelen zonder stok achter de deur

Bron: André Moerman

15/05/2017 19:52 uur

Verschillende gemeenten hebben de schuldregeling uitbesteed aan marktpartijen. Een uitspraak van de rechtbank Den Haag roept de vraag op of dit nog wel werkbaar is. De rechtbank weigerde toelating tot de wettelijke schuldsanering (WSNP) omdat het voortraject niet uitgevoerd is door een ‘door de gemeente gehouden instelling’. Een verzoek om een weigerachtige schuldeiser tot een akkoord te dwingen, zal eveneens niet in behandeling worden genomen. Wanneer deze jurisprudentielijn doorzet dreigt de uitbestede schuldregeling tandeloos te worden. De overheid kan deze ontwikkeling eenvoudig stoppen met invoering van een vrijstellingsbesluit.




Verklaring WSNP

Voordat toelating tot de wettelijke schuldsanering (WSNP) mogelijk is, moet eerst worden geprobeerd om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Bij het verzoek om toelating WSNP moet een verklaring van het college van B&W worden gevoegd waaruit blijkt dat  er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank of aan een organisatie in een vrijstellingsbesluit krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet. Op dit moment geldt geen vrijstellingsbesluit.
De Hoge Raad heeft bepaald dat deze verklaring ook afgegeven kan worden door personen genoemd in art. 48 lid 1 onder c Wet op het consumentenkrediet. Dus:
advocaten, curatoren en bewindvoerders op basis van de Faillissementswet/wsnp, of curatoren en bewindvoerders op basis van het Burgerlijk Wetboek, en notarissen, deurwaarders. registeraccountants en accountants-administratieconsulenten.


Kwalitatief voortraject
In de Faillissementswet is verder bepaald dat het WSNP-verzoek moet worden afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet (Wck). Dit artikel bepaalt in samenhang met art. 47 Wck dat schuldbemiddeling verboden is, tenzij sprake is van:

a) gratis schuldbemiddeling;

b) schuldbemiddeling door gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden;

c) schuldbemiddeling door advocaten, curatoren en bewindvoerders op basis van de Faillissementswet/wsnp, of curatoren en bewindvoerders op basis van het Burgerlijk Wetboek, en notarissen, deurwaarders. registeraccountants en accountants-administratieconsulenten;

d) door natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB).

De Hoge Raad heeft bepaald dat de wetgever met deze verwijzing naar art. 48 lid 1 Wck in de wetsgeschiedenis doelde op organisaties genoemd onder b t/m d en niet de bemiddelaars genoemd onder a die hun diensten gratis aanbieden, omdat de enkele omstandigheid dat de diensten gratis aangeboden wordt, geen waarborg inhoudt dat deze voldoende kwaliteit bezit.
Het betekent dus niet dat gratis schuldbemiddeling kwalitatief niet goed kan zijn. Het is door de rechter niet goed te controleren.

Er is op dit moment geen AMvB van kracht, zodat voor toelating tot de WSNP het voortraject uitgevoerd moet zijn door een organisatie genoemd in art. 48 lid 1 onder b en c Wck.


Uitbesteding
Diverse gemeenten hebben de buitengerechtelijke schuldregeling uitbesteed aan gesubsidieerde instellingen of via aanbesteding aan commerciële organisaties. Het is dan voor toelating tot de WSNP de vraag of voldaan wordt aan het vereiste dat de buitengerechtelijke schuldregeling uitgevoerd moet zijn door een organisatie genoemd in art. 48 lid 1 onder b t/m d Wck.
Betreft het een door de gemeente gehouden instelling, die zich krachtens haar doelstelling met schuldbemiddeling bezighoudt?


Oordeel rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag moest bij een verzoek om toelating WSNP allereerst beoordelen of  bijgevoerde verklaring voldeed aan de wettelijke eisen. De WSNP-verklaring is afgegeven door een Schuldhulpverlener, werkzaam voor Westerbeek en is voorzien van een stempel van de gemeente Gouda met een paraaf. Volgens de rechtbank voldoet deze verklaring niet omdat deze niet is afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda. Het enkel plaatsen van een stempel voorzien van een paraaf kan niet als zodanig worden aangemerkt.
Nu de verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet, verklaart de rechtbank het WSNP-verzoek niet-ontvankelijk

Ten overvloede geeft de rechtbank nog aan dat het WSNP-verzoek ook had moeten worden afgewezen nu het niet uitgevoerd wordt door de gemeente of door een gemeente gehouden instelling. De volgende aangevoerde omstandigheden zijn voor de rechtbank niet voldoende om te oordelen dat er sprake is van een door de gemeente gehouden instelling:

  • de gemeente is opdrachtgever;
  • de organisatie is NVVK-lid;
  • de gemeente bepaalt of iemand in aanmerking komt voor een schuldregeling;
  • de organisatie verzorgt een intake en stelt een plan van aanpak op;
  • de gemeente controleert het plan van aanpak;
  • de organisatie rapporteert over iedere fase aan het college van B&W.

Einde uitbesteding schuldregeling?
Wanneer deze goed doordachte en onderbouwde uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt overgenomen door andere rechtbanken, hetgeen te verwachten is, is uitbesteding van schuldhulpverlening vrijwel niet meer mogelijk. Dit heeft grote consequenties voor alle gemeenten die de schuldregeling hebben uitbesteed aan instellingen als Westerbeek, Plangroep en Sociaal.nl.
Dit terwijl uitbesteding aan een gemeentelijke kredietbank geen belemmering oplevert nu deze genoemd wordt in art. 48 lid 1 onder b Wck. En de uitbesteding van het voortraject voor schuldhulpverlening wordt ook niet door deze jurisprudentie geraakt.


Oplossing
Er ontstaat hiermee de onwenselijke situatie dat de schulden geregeld moeten worden zonder de WSNP als stok achter de deur en zonder de mogelijkheid om een dwangakkoord aan te vragen.
De ontstaande situatie is eenvoudig door de regering op te lossen door op basis van art. 48 lid 1 onder d Wck een Algemene Maatregel van Bestuur af te kondigen waarin wordt geregeld dat organisaties die in opdracht van de gemeente werken vrijgesteld zijn.


Meer informatie
- Rb Den Haag 9 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4883


Hoe nauw de rechtbank Den Haag beoordeelt of er sprake is van een door de gemeente gehouden instelling blijkt o.a. uit de volgende passage:

“11. Ten overvloede voegt de rechtbank hier aan toe dat ook niet is gebleken dat de bemoeienis van de gemeente met de buitengerechtelijke schuldregelingstraject zodanig is geweest dat dit gelijk is te stellen aan een door de gemeente zelf uitgevoerde buitengerechtelijke schuldregeling. Na aanmelding stelt de gemeente vast of iemand in aanmerking komt voor schuldhulpverlening waarna zij, als opdrachtgever, Westerbeek C.O.D. B.V. inschakelt voor de uitvoering van de buitengerechtelijke schuldregeling. Westerbeek C.O.D. B.V. verzorgt een intake en stelt een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt door de gemeente gecontroleerd. Hierna wordt een vervolgfase ingezet, veelal de stabilisatiefase, gevolgd door een fase van minnelijke schuldenregeling. Westerbeek C.O.D. B.V. rapporteert over iedere fase en het college van burgemeester en wethouders controleert de rapportages. Echter, niet duidelijk is geworden aan de hand waarvan de rapportages concreet worden gecontroleerd. Evenmin is gebleken dat de gemeente inhoudelijke instructies of richtlijnen heeft verstrekt die bij de uitvoering van een buitengerechtelijke schuldregeling door Westerbeek C.O.D. B.V. in acht moeten worden genomen. De beschrijving die Westerbeek C.O.D. B.V. zelf van de afspraken met de gemeente Gouda heeft gemaakt is daar niet mee gelijk te stellen. Nu de mogelijkheid van mandaat door de wetgever in artikel 285, eerste lid onder f Fw is beperkt, kan de uitvoering niet ‘simpelweg’ met een privaatrechtelijke constructie alsnog aan een private partij worden overgelaten. Dat klemt te meer nu in artikel 48 lid 1 onder b WCK wel de gemeente zelf wordt genoemd, maar verder enkel gemeentelijke kredietbanken en door gemeenten gehouden instellingen. Die laatste twee categorieën blijven, ook als het gaat om organisatorische en bestuurlijke aspecten, nauw gelieerd aan de gemeentes die ze oprichtten of houden: kredietbanken op grond van artikel 4.36 e.v. van de Wet op het financieel toezicht, de andere door het ‘gehouden worden door’. Partijen die op organisatorisch en bestuurlijk vlak niet een dergelijke band met een gemeente hebben, komen in die b-categorie niet voor. Het minnelijk traject moet dan ook op een dusdanige wijze worden uitgevoerd dat het kan gelden als door de gemeente zelf te zijn uitgevoerd. Ter terechtzitting is gebleken dat niet per verzoek een inhoudelijke controle plaatsvindt op de verrichte werkzaamheden. Door het voldoen aan een vereiste als het NVVK-lidmaatschap door Westerbeek C.O.D. B.V. gaat de gemeente er van uit dat de minnelijke schuldregeling voldoende deugdelijk wordt/is uitgevoerd, doch dit wordt verder niet – van geval tot geval – bezien. Gezien de hiervoor onder 2 en 3 vermelde verklaringen merkt de gemeente zichzelf ook niet aan als uitvoerder van de buitengerechtelijke schuldregeling, althans neemt zij niet de volle verantwoordelijkheid op zich voor (een correcte uitvoering van) het minnelijk schuldregelings-traject. Daar waar dit anders is, ligt het op de weg van het college van burgemeester en wethouders om deze verklaringen zelf af te geven. Zonder dat is geen sprake van een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling is uitgevoerd door een instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder b WCK. "
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht