SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Hoge Raad: onjuiste aanmaning, geen incassokosten!

Bron: André Moerman

27/11/2016 10:34 uur

Voordat een schuldeiser of incassobureau incassokosten in rekening mag brengen moet er eerst een aanmaning worden gestuurd met een betalingstermijn van minimaal veertien dagen. Deze aanmaning moet de hoogte van de incassokosten vermelden die verschuldigd zijn wanneer niet op tijd wordt betaald. Over deze zogenaamde veertiendagenbrief is veel te doen. De Hoge Raad heeft eerder bepaald dat de schuldeiser na deze aanmaning geen extra handelingen hoeft te verrichten voordat er incassokosten mogen worden berekend. Aan de hand van nieuwe prejudiciële vragen geeft de Hoge Raad verder uitleg over o.a. het moment van aanvang van de veertiendagentermijn, hoe strikt de rechter de tekst van de aanmaning moet beoordelen, wat de gevolgen zijn van een onjuiste formulering en wat de gevolgen zijn van een gedeeltelijke betaling van de hoofdsom. Conclusie: De Hoge Raad verbindt grote consequenties aan een onjuiste aanmaning.




Aanvang veertiendagentermijn
Volgens de Hoge Raad  begint de termijn te lopen daags na die waarop de aanmaning door de schuldenaar is ontvangen. Dat strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar in ieder geval (de volle) veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden.


Stelplicht en bewijslast
Wanneer de schuldeiser aanspraak wil maken op incassokosten zal ze moeten stellen en zo nodig bewijzen dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan.
Dit betekent dat indien de ontvangst van de veertiendagenbrief door de schuldenaar wordt betwist, de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de brief door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de schuldenaar aldaar door hem kon worden bereikt, en dat en op welke dag de brief aldaar (op zijn laatst) is aangekomen.
Indien de schuldenaar slechts de door de schuldeiser gestelde datum van ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, dient de schuldeiser in beginsel feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief (op zijn laatst) heeft ontvangen.

In verstekzaken zal de schuldeiser voldoende concrete feiten en omstandigheden moeten stellen waaruit de rechter kan afleiden dat de veertiendagenbrief (uiterlijk) op de door de schuldeiser gestelde datum door de schuldenaar is ontvangen. Daartoe kan de schuldeiser in beginsel (ook) de dag van verzending stellen en aannemelijk maken. In dat geval kan de rechter vervolgens – nu er geen sprake is van een betwisting – uitgaan van de ervaringsregel dat gewone post in veruit de meeste gevallen na een of meer dagen bij de geadresseerde wordt bezorgd. Volgens de Hoge Raad zal het in de regel niet onbegrijpelijk zijn wanneer in verstekzaken tot uitgangspunt wordt genomen dat de brief op de tweede dag na verzending is bezorgd, waarbij een zondag, maandag of officiële feestdag niet meetellen als tussenliggende dag of dag van bezorging.


Gevolgen van onjuiste vermelding van de termijn
De door de schuldeiser verzonden veertiendagenbrief moet voldoen aan de eisen die art. 6:96 lid 6 BW daaraan stelt. Indien wel de betalingstermijn van veertien dagen is vermeld, maar een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is aangewezen, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven is de brief niet geldig. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden. Het moet de schuldenaar dus duidelijk zijn dat hem die volle wettelijke termijn van veertien dagen ter beschikking staat. De inhoud van de veertiendagenbrief mag bij de schuldenaar niet de onjuiste indruk wekken dat hij de incassokosten al verschuldigd wordt op een datum waarop in werkelijkheid de wettelijke termijn van veertien dagen nog niet is verstreken.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. De schuldeiser mag vanzelfsprekend wel een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen hanteren.

Wanneer een aanmaning is verstuurd die niet aan de wettelijke eisen voldoet, mogen er na het verstrijken van de veertien dagen geen incassokosten in rekening worden gebracht. Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden. Een onjuist vermelde termijn, die bijvoorbeeld een dag te kort was, kan dus niet ‘gerepareerd’ worden door nog een korte extra betalingstermijn van bijvoorbeeld een week of tien dagen te geven.


De rol van de rechter in verstekzaken en in zaken op tegenspraak
Volgens de Hoge Raad dient de rechter voordat incassokosten kunnen worden toegewezen, zowel in verstekzaken als in zaken op tegenspraak ambtshalve te beoordelen of aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Dus al heeft de schuldenaar geweer gevoerd, bij een onjuiste aanmaning zal de rechter geen incassokosten toewijzen.


Gevolgen van een deelbetaling
Indien de consument-schuldenaar het door hem verschuldigde heeft voldaan voor het verstrijken van de termijn van veertien dagen, is hij geen vergoeding voor incassokosten verschuldigd. Indien hij voor het verstrijken van die termijn niet heeft betaald, dan wordt hij de in het Besluit genormeerde forfaitaire vergoeding voor incassokosten verschuldigd.
Ook indien de consument-schuldenaar weliswaar voor het verstrijken van de termijn betaalt, maar slechts een deel van het door hem verschuldigde, is hij een forfaitaire vergoeding voor incassokosten verschuldigd. Het strookt echter met het consumentenbeschermende karakter van de wettelijke regeling om in dat geval de hoogte van de verschuldigde incassovergoeding, met inachtneming van de regels van het Besluit, te bepalen op basis van de hoogte van het niet (tijdig) betaalde gedeelte van het in hoofdsom verschuldigde. De hoogte van de forfaitaire vergoeding is immers afhankelijk van de hoogte van de vordering, en door de deelbetaling bestaat de vordering niet meer in de omvang waarop de in de veertiendagenbrief vermelde incassovergoeding was gebaseerd.


Meer informatie
- Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704 
- Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405 
- Voorbeeldbrieven over incassokosten
- Achtergrondinfo incassokosten
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht