SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Recht op beslagvrije voet: Uitschrijving bevolkingsregister betekent nog niet vertrek uit Nederland

06/03/2016 10:33 uur

Een deurwaarder legt beslag op het inkomen en stelt daarbij de beslagvrije voet op nihil. De deurwaarder heeft namelijk op basis van het bevolkingsregister vastgesteld dat betrokkene niet in Nederland woont of vast verblijft. Zowel de Kamer voor gerechtsdeurwaarders als in hoger beroep het Hof Amsterdam zien dit anders. Het Hof Amsterdam geeft aan dat uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op zichzelf nog niet betekent dat betrokkene daadwerkelijk uit Nederland is vertrokken. De deurwaarder had geen verdere aanwijzingen dat betrokkene uit Nederland was vertrokken. Bovendien heeft de deurwaarder, na ontvangen informatie, de beslagvrije voet niet onverwijld met terugwerkende kracht aangepast. De deurwaarder krijgt een berisping opgelegd.





De feiten
(…)
3.2.1.
Door het kantoor van de gerechtsdeurwaarders is op 23 november 2012 op de WAO-uitkering van klager derdenbeslag gelegd onder het UWV. Hierbij is de voor klager geldende beslagvrije voet op nihil gesteld.

3.2.2.
Nadat de preferente vorderingen van twee andere beslagleggers waren voldaan, heeft in februari 2014 een eerste inhouding en afdracht aan het gerechtsdeurwaarderskantoor plaatsgevonden.

3.2.3.
Daarop heeft de schuldhulpverlener van klager, [naam] , (verder: [X] ) bij brief van 5 februari 2014 aan het gerechtsdeurwaarderskantoor - kort gezegd - laten weten dat klager per 1 november 2013 stond ingeschreven in de Gemeente [plaats] en dat bij de beslaglegging ten onrechte geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Verder is verzocht om het beslag ongedaan te maken.

3.2.4.
Bij e-mail van 17 februari 2014 heeft het gerechtsdeurwaarderskantoor aan klager en [X] meegedeeld dat klager nadere en aanvullende gegevens en informatie diende te verstrekken, voordat tot berekening en vaststelling van de beslagvrije voet zou worden overgegaan. Tevens diende klager volledig inzicht te verschaffen in zijn persoonlijke en financiële omstandigheden.

3.2.5.
Daarop heeft [X] bij brief van 18 februari 2014 aan een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor een aantal stukken aangaande de financiële situatie van klager verstrekt teneinde de voor klager geldende beslagvrije voet vast te stellen. Onder meer zijn een jaaropgave 2013 van het UWV, een overzicht van de achterstand van de zorgverzekering en een kopie van een brief van 5 december 2013 van de Gemeente [plaats] aan klager over zijn inschrijving per 1 november 2013 op een briefadres in [plaats] overgelegd.

3.2.6.
Vervolgens heeft tussen [X] en vorenbedoelde medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor correspondentie plaatsgehad over toepassing dan wel wijziging van de beslagvrije voet. Hierbij stelde de medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor zich telkens op het standpunt over onvoldoende en/of onvolledige stukken te beschikken om tot vaststelling van de beslagvrije voet te kunnen overgaan.


6 Beoordeling
(…)
6.4.
Artikel 475e, eerste zin, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat geen beslagvrije voet geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat ten tijde van de beslaglegging uit de GBA bleek dat klager per 23 februari 2012 geen vast woon- of verblijfadres in Nederland had.
Het hof overweegt dat het feit dat klager ten tijde van de beslaglegging op 23 november 2012 niet op een vast woon- of verblijfadres in Nederland stond ingeschreven nog niet betekende dat hij daadwerkelijk uit Nederland was vertrokken. Uit de GBA bleek dat in ieder geval niet, zoals gerechtsdeurwaarder sub 1 ter zitting in hoger beroep heeft verklaard. Het hof is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden waaruit de gerechtsdeurwaarders hebben mogen afleiden dat klager zich niet in Nederland bevond ten tijde van de beslaglegging. Op de zitting in hoger beroep heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 verklaard dat de gerechtsdeurwaarders niet wisten waar klager ten tijde van de beslaglegging verbleef. Nu in dit geval niet vast stond dat klager ten tijde van de beslaglegging niet in Nederland woonde of vast verbleef, hebben de gerechtsdeurwaarders ten onrechte toepassing geven aan artikel 475e Rv en de beslagvrije voet op dat moment ten onrechte op nihil gesteld. De klacht is in zoverre gegrond.

6.5.
Op grond van artikel 475d lid 7, eerste zin, Rv dient een beslaglegger onverwijld rekening te houden met gewijzigde omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen. Het hof is van oordeel dat de brief van 18 februari 2014 van [X] aan de betrokken medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor aanleiding gaf om de beslagvrije voet (die ten onrechte op nihil was gesteld) aan te passen, nu uit die brief en de bijgevoegde stukken onder meer bleek dat klager over 2013 een WAO-uitkering had ontvangen en per 1 november 2013 op een briefadres in Nederland stond ingeschreven. Dat toen niet onverwijld met terugwerkende kracht tot aanpassing van de beslagvrije voet is overgegaan, is onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht is ook op dit punt gegrond.

6.6.
Het hof benadrukt dat beslaglegging op het inkomen van een debiteur een ingrijpend middel is, omdat een debiteur als gevolg daarvan nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhoudt, waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen. Het is dus van groot belang dat als een gerechtsdeurwaarder hiertoe overgaat hij de beslagvrije voet die voor de desbetreffende debiteur geldt zorgvuldig vaststelt en zo nodig direct aanpast. Dit geldt in het bijzonder in het geval de beslagvrije voet op nihil wordt/is gesteld. De gerechtsdeurwaarders hebben de nihilstelling van de beslagvrije voet echter gehandhaafd, zelfs nadat zij in het bezit waren gesteld van een huurovereenkomst, een uitkeringsspecificatie, een bewijs van verschuldigde premie zorgverzekering en een bewijs van inschrijving in de GBA met de status “woonadres”. Het hof ziet daarin aanleiding om aan de gerechtsdeurwaarders elk de maatregel van berisping op te leggen.

6.7.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.8.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.


7 Beslissing
Het hof bevestigt de bestreden beslissing.


Meer informatie
- Hof Amsterdam 1 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:778
- Kamer voor gerechtsdeurwaarders 12 mei 2015, ECLI:NL:TGDKG:2015:55
- Achtergrondinfo beslagvrije voet bij verblijf buitenland
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht