SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Gekochte vordering blijkt kat in de zak!

Bron: André Moerman

06/06/2015 19:55 uur

Het opkopen van schulden is een veelvoorkomende praktijk. In plaats van een incassobureau in te schakelen die namens de schuldeiser probeert de vordering te inning, kiest de schuldeiser er voor de vordering te verkopen. De koper wordt dan de nieuwe schuldeiser. De overdracht van de vordering gebeurt via een zogenaamde akte van cessie. Als voorwaarde geldt dat op het moment van overdracht de vordering voldoende bepaalbaar moet zijn. En hier gaat het vaak mis. Zo blijkt ook uit de volgende uitspraak.




De rechtbank Rotterdam komt samengevat tot de volgende beoordeling:


De vordering
Intrum Justitia vordert € 1.135,14 aan hoofdsom, € 170,27 aan buitengerechtelijke kosten en € 102,36 aan verschenen rente. Deze vordering is gebaseerd op een op 9 februari 2013 gesloten overeenkomst met T-Mobile. T-Mobile heeft de overeenkomst tussentijds ontbonden wegens wanbetaling en heeft de vaste periodieke kosten, de gebruikskosten alsmede (75% van) de resterende abonnements-termijnen in rekening gebracht.
T-Mobile heeft haar vordering op gedaagde aan Intrum Justitia gecedeerd. De cessie heeft plaatsgevonden door middel van een daarvoor bestemde akte van mei 2010. Gedaagde is van die cessie op de hoogte gebracht. Ter ondersteuning van de stellingen ten aanzien van de cessie heeft Intrum Justitia de akte van cessie, een uittreksel van het daarbij behorende overdrachtsbestand en de aan gedaagde gezonden kennisgeving van cessie in het geding gebracht.


Het verweer
Gedaagde heeft de vordering betwist en als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat Intrum Justitia de vordering niet rechtsgeldig gecedeerd heeft gekregen omdat ten tijde van het ondertekenen van de akte van cessie de onderhavige vordering noch de door Intrum Justitia gestelde rechtsverhouding bestond. Nu de cessie heeft plaatsgevonden voordat gedaagde een overeenkomst met T-Mobile had gesloten is daarmee niet voldaan aan het vereiste dat de vordering waarop de cessie betrekking heeft in voldoende mate bepaalbaar is.


Beoordeling van de vordering
De kantonrechter moet beoordelen of de cessie zoals die tussen T-Mobile en Intrum Justitia heeft plaatsgevonden, rechtsgeldig is.

Voor cessie van toekomstige vorderingen is het in de artikelen 3:94 en 3:97 BW geschetste kader van belang. Artikel 3:94 BW bepaalt (kort gezegd) dat overgang van rechten plaats vindt door een daarvoor bestemde akte. Voorts is ingevolge dat artikel mededeling aan de personen waartegen die rechten gelden vereist. Artikel 3:97 BW bepaalt dat levering van toekomstige goederen mogelijk is.
Een en ander zou tot de conclusie leiden dat verkoop van een toekomstige vordering mogelijk zou zijn, mits een daartoe bestemde akte bestaat en mededeling is gedaan van cessie. Uit de rechtspraak (HR 24 oktober 1980, NJ 1981,265) volgt echter dat de vordering gelet op artikel 3:84 lid 2 BW ook ten tijde van de cessie in voldoende mate bepaalbaar moet zijn. De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest voorts overwogen dat aan die maatstaf pas kan worden voldaan indien de vordering haar grondslag vindt in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding. Ook het Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de daar aan de orde zijnde overeenkomst onvoldoende grond bood voor het oordeel dat de toekomstige vordering van in dat geval T-Mobile op haar toekomstige klant daarmee is overgedragen en op de daarin voorgeschreven wijze is geleverd. Ten slotte heeft ook de kantonrechter te Haarlem in een vergelijkbare zaak de vordering op diezelfde gronden afgewezen en heeft daarbij overwogen dat - indien niet de eis van het bestaan van een rechtsverhouding ten tijde van de cessie zou worden gesteld - het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 3:84 lid 2 BW tot een dode letter zou verworden.

De kantonrechter deelt die opvatting, gelijk ook andere kantonrechters van deze rechtbank. Het door Intrum Justitia overgelegde overdrachtsbestand waarin de vordering op gedaagde door middel van vermelding van onder andere de naam van gedaagde achteraf geïndividualiseerd is, kan Intrum Justitia gelet op de door de Hoge Raad gestelde maatstaf niet baten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Intrum Justitia dan ook dient te worden afgewezen, bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

Intrum Justitia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure ad. € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.


De beslissing
De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Intrum Justitia in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.


Meer informatie
- Rb Rotterdam 10 april 2015,  ECLI:NL:RBROT:2015:3882
- Hof Den Haag 16 juni 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2931
- Rb Rotterdam 7 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1713
- Rb Arnhem 29 april 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3913
- Rb Haarlem 4 oktober 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AY9714
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht