SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Hoge Raad beperkt beslag op vakantiegeld

Bron: André Moerman

01/11/2014 11:01 uur

Wanneer de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen kan er maandelijks niets afgedragen worden. Maar hoe zit het in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald? Moet de deurwaarder er dan rekening mee houden dat het inkomen in de voorgaande maanden lager was dan de beslagvrije voet? De Hoge Raad heeft beslist dat dit moet. Een mooi resultaat voor allen die maandelijks feitelijk onder de beslagvrije voet leven.


Niet uitzonderlijk
In het verleden was het vrij uitzonderlijk dat het inkomen lager kan zijn dan de beslagvrije voet, denk aan een laag inkomen gecombineerd met hoge woonlasten. Sinds de invoering van de wanbetalersregeling zorgverzekering komt het vaker voor. De beslagvrije voet moet immers met de hoge bestuursrechtelijke premie (in 2014 € 143,98 p.p.) worden gecorrigeerd. Bovendien gaat de beslagvrije voet omhoog wanneer de huur- en/of zorgtoeslag niet ontvangen wordt omdat er beslag op ligt of omdat de belastingdienst deze verrekent.

Rechtsvraag
Wanneer het inkomen lager is dan de beslagvrije voet, moet dan in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald rekening worden gehouden met het ‘niet gebruikte deel’ van de beslagvrije voet?

Rekenvoorbeeld
Een rekenvoorbeeld kan dit vraagstuk verhelderen. Stel een alleenstaande heeft de volgende gegevens:
- inkomen is € 950
- beslagvrije voet € 1000
- vakantiegeld € 900
Het is duidelijk dat uitgaande van deze gegevens er maandelijks niets aan de beslaglegger kan worden afgedragen. Maar wat valt onder het beslag in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald? Moet er dan € 850 (950 + 900 - 1000) worden afgedragen of moet er rekening worden gehouden met alle maanden waarin het inkomen lager was dan de beslagvrije voet? Wanneer de 11 voorgaande maanden het inkomen € 50 lager was dan de beslagvrije voet, zou dit in dit voorbeeld er op neerkomen dat er slechts € 300 mag worden afgedragen. (950 + 900 – 1000 – (11 x 50)).

Cassatie in het belang der wet
De rechtbank Rotterdam oordeelde begin 2013 dat de 2e methode gehanteerd moet worden en dat er rekening mee moet worden gehouden dat het inkomen in de voorgaande maanden lager is dan de beslagvrije voet. Advocaat-generaal Hammerstein dacht hier echter anders over. Hij heeft het vonnis van de rechtbank Rotterdam bij de Hoge Raad voorgedragen om te worden vernietigd (cassatie in het belang der wet). Hammerstein voerde aan dat de uitbetaling van vakantiegeld in de maand mei geen nabetaling is. Zou het wel een nabetaling zijn dan geldt bij loonbeslag dat het toegerekend moet worden aan de maanden waarop het betrekking heeft (art. 475b lid 3 Rv). Op die manier zou het ‘niet gebruikte deel’ van de beslagvrije voet alsnog gebruikt kunnen worden. Maar inderdaad, de uitbetaling van het vakantiegeld in de maand mei is een tijdige betaling en geen nabetaling. Daar zijn volgens mij alle rechtsgeleerden het wel over eens en dat stond ook niet in het vonnis van de Rechtbank Rotterdam.

Opmerkingen indienen
Vanwege het belang van deze kwestie heeft de Hoge Raad via een tussenarrest beslist dat er via tussenkomst van een cassatie-advocaat schriftelijke opmerkingen kunnen worden ingediend als reactie op de vordering tot cassatie in het belang der wet. De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hebben dit gedaan waarbij kortgezegd de KBvG voor en de SVB tegen de vordering tot vernietiging van het vonnis is.
Het inschakelen van een cassatie-advocaat en griffierecht is best een hoge drempel. Ik heb mijn standpunt kenbaar gemaakt via een open brief, een column en een artikel ‘Onder de ondergrens. De gevolgen van loonbeslag voor het vakantiegeld.
Hammerstein heeft vervolgens een (m.i. weinig onderbouwde) nadere conclusie genomen en is bij zijn standpunt gebleven dat het vonnis moest worden vernietigd in het belang der wet.

Beslissing Hoge Raad
De Hoge Raad heeft anders beslist en het vonnis van de rechtbank Rotterdam niet vernietigd. De Hoge Raad (...):

2.4.2
De aanspraak op vakantiegeld is een bij wet voorgeschreven vast onderdeel van lonen en uitkeringen en onderscheidt zich daarin van andere vormen van extra beloningen, zoals een dertiende maand. De aanspraak op vakantiegeld wordt per maand opgebouwd en in de regel één keer per jaar uitbetaald; dit laatste kennelijk om te stimuleren dat het vakantiegeld daadwerkelijk voor vakantie wordt gebruikt.

Het vorenstaande geldt onder meer voor het vakantiegeld dat deel uitmaakt van een AOW-uitkering, om welke uitkering het in deze zaak gaat, en voor het vakantiegeld dat over loon is verschuldigd (art. 17 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag).
De jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld is geen nabetaling in de zin van art. 475b lid 3 Rv, omdat het niet gaat om een te late betaling van maandelijks verschuldigde bedragen.

2.4.3
Hoewel de maandelijkse aanspraak op vakantiegeld dus niet tot een maandelijks opeisbare vordering leidt - behoudens de hierna te vermelden mogelijkheid van een afwijkende regeling -, is die aanspraak wel te rekenen tot het maandelijkse loon of de maandtermijn van een uitkering (vgl. onder meer art. 17 leden 1 en 3 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, art. 28 AOW en art. 19 lid 3 en 45 lid 1 Wet werk en bijstand). Bij het einde van de dienstbetrekking wordt aan de werknemer dan ook het bedrag aan vakantiegeld uitbetaald waarop hij op dat tijdstip aanspraak heeft verworven (art. 17 lid 3 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag). Voorts biedt de wet voor veel gevallen de mogelijkheid om het vakantiegeld maandelijks te voldoen (vgl. art. 17 lid 2 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met betrekking tot loon en de in het voorafgaande artikellid genoemde uitkeringen).

2.4.4
In verband met het hiervoor in 2.4.3 omschreven karakter van het vakantiegeld is het gerechtvaardigd, mede gelet op de strekking van de beslagvrije voet om het bestaansminimum te waarborgen, om voor de berekening van hetgeen aan de beslaglegger kan worden uitgekeerd in verband met de beslagvrije voet, de jaarlijkse uitkering van het vakantiegeld op één lijn te stellen met een nabetaling van de maandelijkse bedragen waarmee het vakantiegeld in de voorafgaande periode is opgebouwd.
Een andere opvatting, zoals die welke door het middel wordt aangevoerd, zou meebrengen dat de toepassing van de beslagvrije voet in gevallen waarin het maandelijkse inkomen beneden die voet blijft, tot verschillende uitkomsten leidt naar gelang het vakantiegeld jaarlijks dan wel maandelijks wordt uitbetaald. Aangezien het hier gaat om gevallen die in wezen gelijk zijn, bestaat voor dit verschil geen rechtvaardiging.

Art. 475b lid 3 Rv dient daarom voor de berekening van hetgeen aan de beslaglegger kan worden uitgekeerd in verband met de beslagvrije voet overeenkomstig te worden toegepast op de jaarlijkse uitkering van het vakantiegeld op de wijze als hierna vermeld.

2.4.5
Art. 475b lid 3 Rv houdt in dat beslag op nabetalingen niet verder geldig is dan indien de betaling gedurende het beslag tijdig is geschied. Dit moet aldus worden verstaan dat beslag op een nabetaling ongeldig is indien en voor zover die betaling in de maand waarin deze zou hebben plaatsgevonden wanneer zij tijdig was geschied, niet onder het beslag zou zijn gevallen (bijvoorbeeld omdat in die maand nog geen beslag lag of omdat in die maand het inkomen beneden de beslagvrije voet bleef).

Bij de hiervoor in 2.4.4 bedoelde overeenkomstige toepassing van deze bepaling voor de berekening van hetgeen aan de beslaglegger kan worden uitgekeerd in verband met de beslagvrije voet, dient de jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld te worden gelijkgesteld aan twaalf nabetalingen die ieder moeten worden toegerekend aan de maand waarin het desbetreffende gedeelte van het vakantiegeld is opgebouwd, en wel- teneinde aan de strekking van de beslagvrije voet recht te doen - ongeacht of in die maanden het beslag al lag.

Dit betekent dat beslag op vakantiegeld ongeldig is indien en voor zover het inkomen (inclusief de aanspraak op vakantiegeld) in de maand waarin het desbetreffende gedeelte van het vakantiegeld werd opgebouwd, beneden de beslagvrije voet bleef, ongeacht of in die maand beslag lag.

2.4.6
Het voorgaande brengt mee dat de jaarlijkse uitbetaling van het vakantiegeld geheel voor beslag vatbaar is indien het maandelijkse inkomen in de maanden waarin het vakantiegeld werd opgebouwd, steeds boven de beslagvrije voet uitkwam. Indien het maandelijkse inkomen in die maanden steeds beneden de beslagvrije voet is gebleven, is het vakantiegeld slechts voor beslag vatbaar voor zover het als maandelijkse aanspraak tezamen met het daadwerkelijk in die maanden genoten inkomen zou zijn uitgekomen boven de beslagvrije voet in die maanden, telkens per maand beoordeeld. Indien de schuldenaar in de periode waarin het vakantiegeld werd opgebouwd een wisselend inkomen heeft genoten, waardoor het in sommige maanden beneden de beslagvrije voet bleef en in andere maanden daar bovenuit kwam, geldt eveneens hetgeen in de vorige volzin is vermeld.

2.4.7
Opmerking verdient nog dat de Sociale Verzekeringsbank, blijkens de door haar naar aanleiding van het tussenarrest in deze zaak ingediende schriftelijke opmerkingen, in geval van onder haar gelegde derdenbeslagen een werkwijze volgt die op bovenstaande methode neerkomt, en dat dit geen uitvoeringsproblemen oplevert.

Mooi resultaat
Dit arrest is een mooi resultaat voor alle mensen die feitelijk maandelijks onder de beslagvrije voet leven. Het is goed om te zien dat de Sociale Verzekeringsbank met beide benen in de maatschappij staat en zich hier als uitvoeringsorganisatie sterk voor heeft gemaakt.
Degenen bij wie te veel vakantiegeld aan de beslaglegger is afgedragen, omdat het maandelijks inkomen lager was dan de beslagvrije voet, kunnen met dit arrest in de hand het teveel afgedragene terugvragen. Dit is met name van belang wanneer er door de te hoge afdracht problemen zijn ontstaan, bij bijvoorbeeld de betaling van de vaste lasten.
Natuurlijk roept dit arrest ook de nodige praktische hoofdbrekens op, bijvoorbeeld over de wijze waarop kan worden bijgehouden welk deel van het vakantiegeld onder het beslag valt. De gebruikte programma’s in de salarisadministratie van werkgevers en uitkeringsinstanties zullen hierop moeten worden aangepast.

Meer informatie
- Hoge Raad 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068
- Nadere conclusie 2 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1952
- Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1342 (tussenarrest)
- Vordering tot cassatie in het belang der wet 14 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:71
- Rb Rotterdam 7 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5158  
- Open brief aan A-G over beslag op vakantiegeld
- Column: Onder de ondergrens
- Artikel: Onder de ondergrens. De gevolgen van loonbeslag voor het vakantiegeld.
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht