SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Open brief aan A-G over beslag op vakantiegeld

Bron: André Moerman

02/03/2014 19:23 uur

Wanneer de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen kan er maandelijks niets afgedragen worden. Maar hoe zit het in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald? Moet dan rekening worden gehouden met de voorafgaande maanden waarin het inkomen lager was dan de beslagvrije voet? Een kantonrechter te Brielle vindt van wel. Volgens waarnemend A-G Hammerstein getuigt het vonnis echter van een onjuiste rechtsopvatting. Hij heeft een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld. Een belangrijk argument ontleent aan de parlementaire geschiedenis blijft hierbij onbesproken. Reden voor André Moerman om een open brief te schrijven.


Geachte heer Hammerstein,

Met veel belangstelling heb ik kennis genomen van het door u ingesteld beroep in cassatie in het belang der wet tegen het vonnis van Rb Rotterdam 7 januari 2013. U komt in uw vordering tot cassatie tot de conclusie dat de beslissing van de rechtbank Rotterdam van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omdat vakantiegeld niet aangemerkt kan worden als een nabetaling in de zin van art. 475b lid 3 Rv. U beperkt daarmee de rechtsvraag zoals deze aan de orde is m.i. ten onrechte tot de vraag of vakantiegeld al dan niet als nabetaling moet worden aangemerkt. Ik meen dat de Rechtbank Rotterdam op andere gronden een juiste beslissing heeft genomen en dat wil ik via deze open brief nader onderbouwen.

De rechtsvraag
De volgende rechtsvraag staat in deze kwestie centraal. Wanneer het inkomen lager is dan de beslagvrije voet, moet dan in de maand waarin het inkomen hoger is dan de beslagvrije voet, bijvoorbeeld in de maand van uitbetaling van het vakantiegeld, rekening worden gehouden met het ‘niet gebruikte deel’ van de beslagvrije voet in de voorgaande maanden?

Rekenvoorbeeld
Het volgende rekenvoorbeeld kan dit verduidelijken.
Stel een alleenstaande heeft een inkomen van € 950 netto per maand. De beslagvrije voet bedraagt € 1000 per maand. In de maand mei wordt € 900 vakantiegeld uitbetaald.
De beslagvrije voet is dus hoger dan het maandelijks netto inkomen, zodat er niets aan de beslaglegger kan worden afgedragen. Maar wat valt onder het beslag in de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald? Moet er rekening worden gehouden met alle maanden waarin het inkomen lager was dan de beslagvrije voet?

Zo ja: Er wordt dan € 300 van het vakantiegeld afgedragen aan de beslaglegger, er vanuit gaande dat 11 voorafgaande maanden het inkomen € 50 lager was dan de beslagvrije voet:
950 + 900 – 1000 – (11 x 50) = 300

Zo nee:  Er wordt dan € 850 van het vakantiegeld afgedragen aan de beslaglegger:
950 + 900 – 1000 = 850

Niet uitzonderlijk
Tegenwoordig komt het relatief vaak voor dat de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen. Er zijn twee ontwikkelingen aan te wijzen die dit verklaren.

  1. Bestuursrechtelijke premie. Met invoering van de wanbetalersregeling zorgverzekering in 2009 wordt de verzekeringnemer bij een premieachterstand van 6 maanden aangemeld bij het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Vanaf dat moment is de verzekeringnemer geen premie meer aan de verzekeraar verschuldigd, maar moet hij een bestuursrechtelijke premie aan het CVZ betalen. Deze bestuursrechtelijke premie is veel hoger dan de normale premie (in 2014: €143,98  en in 2013: €160,12) en moet meegenomen worden in de berekening van de beslagvrije voet.
  2. Beslag op of verrekenen van toeslagen. Sinds de invoering van de toeslagen in 2006 is het mogelijk dat de verhuurder beslag op de huurtoeslag en de zorgverzekeraar beslag op de zorgtoeslag kan leggen. Dit beslag heeft veelal tot gevolg dat de lopende verplichting tot betaling van de huur en premie ziektekostenverzekering niet meer nagekomen kan worden. De rechtbank Den Bosch heeft echter in een proefprocedure bepaald dat indien er tevens sprake is van loonbeslag, er bij de berekening van de beslagvrije voet rekening moet worden gehouden met het niet ontvangen van de toeslag. Het begrip ‘ontvangen’ in art. 475d lid 5 Rv moet worden uitgelegd als “in handen hebben”, er feitelijk over kunnen beschikken. Dit betekent dat de beslagvrije voet niet verlaagd mag worden met de huur- of zorgtoeslag indien daar beslag op is gelegd.  Het zelfde geldt – hetgeen veel voor komt  – wanneer de belastingdienst de toeslagen verrekent met een toeslagschuld.

Voor deze nogal bijzondere verdringingseffecten hebben we bij de politiek aandacht gevraagd middels het rapport Paritas Passé.

Vakantiegeld een nabetaling?

Tegen deze achtergrond speelt onderhavige rechtsvraag die in uw middel van cassatie vooral benaderd wordt vanuit de vraag of het vakantiegeld aangemerkt kan worden als een nabetaling in de zin van art. 475b lid 3 Rv. In deze bepaling staat:
“Beslag op nabetalingen is niet verder geldig dan indien de betaling gedurende het beslag tijdig was geschied.”

Deze bepaling heeft bij een nabetaling tot gevold dat deze toegerekend moet worden aan de maanden waarop deze betrekking heeft. Bij een maandelijks inkomen dat lager is dan de beslagvrije voet zal dit tot gevolg hebben dat een deel van het vakantiegeld niet onder het beslag valt.
Ik ben het echter met u eens dat een uitbetaling van vakantiegeld in de maand mei een tijdige betaling is en geen nabetaling in de zin van art. 475b lid 3 Rv. Het vakantiegeld is immers niet eerder opeisbaar.
De Rechtbank Rotterdam heeft overigens ook niet als argument aangevoerd dat het vakantiegeld een nabetaling zou zijn.

Aanspraak op vakantiegeld

In uw middel van cassatie gaat u niet in op de mogelijkheid om bij de maandelijkse beslagafdracht rekening te houden met de aanspraak op vakantiegeld. Volgens deze methode wordt elke maand de aanspraak op vakantiegeld afgedragen aan de beslaglegger. In het hierboven vermelde rekenvoorbeeld is het netto inkomen € 50 lager dan de beslagvrije voet. De aanspraak op vakantiegeld is € 75 per maand, zodat er maandelijks € 25 aan de deurwaarder kan worden afgedragen. Het resterende vakantiegeld blijft daarmee buiten het beslag.
Deze methode is als eerst aan de orde gekomen in een procedure bij het kantongerecht Alkmaar op 6 december 1995. Deze methode wordt in antwoord op Kamervragen door minister Sorgdrager als een geoorloofde werkwijze aangemerkt.

Doorschuiven van kosten
Onderhavige rechtsvraag kan ook worden benaderd vanuit de vraag of de in de beslagvrije voet begrepen noodzakelijke kosten van bestaan moeten worden doorgeschoven naar de volgende maand indien de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen.

De bedoeling van de invoering van de beslagvrije voet is dat de schuldenaar bij beslag op loon of uitkering nog wel in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting:
“De gedachte is immers dat degene die, hetgeen regel is, zijn noodzakelijke uitgaven uit deze periodieke inkomsten moet bekostigen, voor de lopende kosten van het bestaan nog juist genoeg in handen moet krijgen, ook al ligt er beslag op dit inkomen.”

Wanneer de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen kunnen de noodzakelijke kosten van bestaan niet volledig in de betreffende maand worden voldaan. De premie kan bijvoorbeeld niet worden voldaan omdat er een hogere bestuursrechtelijke premie moet worden betaald en/of de zorgtoeslag niet wordt ontvangen omdat er beslag op is gelegd.

In de parlementaire stukken kom ik één passage tegen die expliciet over deze situatie gaat. In de Memorie van Toelichting staat:
"Is de (jaarlijkse) premie zo hoog dat de beslagvrije voet boven de periodieke betaling uitstijgt, dan moet de verzekeringspremie voor het overige worden vergoed bij de eerstvolgende periodieke betaling en krijgt de beslaglegger zo lang niets.”

Uit deze passage valt op te maken dat wanneer de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen en dus met het inkomen niet alle in de beslagvrije voet begrepen kosten voldaan kunnen worden, dit gedeelte doorgeschoven moet worden naar de eerstvolgende betaling. Zo nodig schuiven de kosten door naar de maand waarin het vakantiegeld uitbetaald wordt.
Het wetsvoorstel is m.b.t. de premie ziektekostenverzekering tijdens de parlementaire nog iets aangepast, maar niet op essentiële punten waardoor de toelichting z'n waarde heeft behouden. Er wordt niet gesproken over woonkosten, aangezien dat onderdeel pas bij de plenaire behandeling bij amendement aan het wetsvoorstel is toegevoegd. Daarvoor geldt m.i. het zelfde.

Conclusie
Ik kom derhalve tot de conclusie dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam niet in strijd is met de wet en wel op basis van twee redeneringen:

  1. Het is geoorloofd om bij de maandelijkse beslagafdracht rekening te houden met de aanspraak op het vakantiegeld. Hierdoor valt het deel van de maandelijkse aanspraak op vakantiegeld dat samen met het netto maandinkomen lager is dan de beslagvrije voet, niet onder het beslag.
  2. Het deel van de beslagvrije voet dat hoger is dan het netto inkomen schuift, in de vorm van de nog niet voldane noodzakelijke kosten van bestaan, door naar de volgende maand en schuift zo nodig door naar de maand waarin het vakantiegeld wordt uitbetaald.

Beide redeneringen doen recht aan de bedoeling van de wetgever:
“ het juist genoeg in handen krijgen  voor de noodzakelijke kosten van bestaan”.

Ik ben benieuwd wat u van mijn standpunt vindt. Ik wil u verzoeken een afschrift van deze brief te sturen naar de Hoge Raad, zodat dit bij de beoordeling betrokken kan worden.

Met vriendelijke groeten,

mr. A.J. Moerman


Meer informatie
- Vordering tot cassatie in het belang der wet 14 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:71
- Rb Rotterdam 7 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5158 
- Kantongerecht Alkmaar op 6 december 1995
- Antwoord Kamervragen: Aanhangsel Handelingen II, 1997-1998, nr. 283
- Memorie van Toelichting Wet beslag op loon en uitkering p. 18
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht