SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Rechter steekt stokje voor stapeling incassokosten

Bron: André Moerman

08/12/2013 19:19 uur

De Wet incassokosten kan nadelig uitpakken wanneer maandelijks over elke nieuwe termijn incassokosten berekend wordt. Volgens het rapport BGK-integraal (geschreven door een rechterlijke werkgroep) moet de schuldeiser bij duurovereenkomsten trachten de kosten te beperken door incassohandelingen te combineren. Gebeurt dit niet dan kan de rechter de kosten vanwege strijd met de redelijkheid ambtshalve matigen. De rechtbank Zeeland-West-Brabant past deze mogelijkheid toe in de volgende uitspraak.




De rechtbank Zeeland-West-Brabant  overweegt ten aanzien van de incassokosten het volgende.

Eiseres maakt tevens aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 428,33. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu (is gesteld dat) het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Eiseres heeft drie aanmaningen overgelegd. In de eerste aanmaning wordt betaling van de huurachterstand tot mei 2013 gevorderd, in de tweede aanmaning wordt dat herhaald en wordt separaat gemaand tot betaling van de huur over de maand mei. In de derde aanmaning ten slotte wordt dot voor wat betreft de eerdere periode herhaald en wordt tevens gemaand tot betaling van de huur over de maand juni 2013.

Aldus kan worden gesteld dat eiseres naast en na het versturen van de aanmaningen als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW nog wel heeft gemaand en in zekere zin buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In het midden kan blijven, in den lande wordt daarover verschillend gedacht (zie rapport BGK-integraal; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2013,  en, recent Rechtbank Gelderland van 23 oktober 2013 prejudiciële vraag aan de Hoge Raad)) of die extra activiteit/aanmaning is vereist om buitengerechtelijke incassokosten te kunnen toewijzen. In eerdergenoemde brieven wordt immers opnieuw gemaand voor de reeds eerder ontstane achterstand, zodat aan een eventueel vereiste op dit punt is voldaan. Bijgevolg is er geen aanleiding op die grond dit onderdeel van de vordering van eiseres geheel of ten dele af te wijzen.

Niettemin is de kantonrechter van oordeel dat geen volledige toewijzing van de gevorderde vergoeding kan volgen. Zeker bij een duurovereenkomst als de onderhavige kan het immers onredelijk zijn de niet betaalde maandelijkse huur telkens op te hogen/krikken met het forfaitaire bedrag dat voortvloeit uit artikel 2 van het Besluit BIK om de uitkomst daarvan te voegen bij een reeds eerder in een veertiendagenbrief ter zake huurachterstand geclaimde vergoeding. Zo goed als van een schuldeiser mag worden verwacht dat deze ter beperking van schade incassohandelingen ten aanzien van vervallen bedragen combineert (artikel 6:96 lid 7 BW), mag evenzeer vanuit diezelfde gedachte van schadebeperking van hem worden gevergd verdere buitengerechtelijke handelingen voor zover zij slechts meebrengen dat meer (thans forfaitaire) kosten kunnen worden geclaimd achterwege te laten. Anders gezegd, het moet redelijk zijn kosten voor buitengerechtelijke handelingen te (blijven) maken. Het blijven verzenden van (standaard-)brieven mag en kan zelfs zinvol zijn, maar het is onder omstandigheden niet redelijk daarvoor kosten te blijven claimen. Naar het oordeel van de kantonrechter is aan dat redelijkheidsvereiste voor wat betreft de aanmaning van 23 mei 2013 voor zover deze ziet op de huur van de maand mei 2013 nog wel, maar voor de aanmaning van 12 juni 2013 voor zover die betrekking heeft op de huur van de maand juni 2013 niet meer voldaan. Eiseres wist immers althans kon uit het eerder al geruime tijd achterwege blijven van betalingen redelijkerwijs afleiden dat gedaagde de verschenen huur hoogstwaarschijnlijk evenmin zou/kon voldoen. In aanmerking genomen de mate van achterstand in de maandelijkse huurbetalingen had de laatste aanmaning daarom geen toegevoegde waarde meer, in zoverre dat zij nog een afzonderlijke vergoeding van het forfaitaire bedrag zou kunnen rechtvaardigen. Het gevorderde te zijner tijd in beginsel toe te wijzen bedrag zal de kantonrechter daarom niet stellen op € 428,33 maar op € 342,67.

Meer informatie
- Rechtsbank Zeeland-West-Brabant 6 november 2013;
- Rapport BGK-integraal (zie hoofdstuk III, paragraaf 9.1)
- Achtergrondinfo incassokosten
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht