SchuldInfo

Juridische info voor hulpverleners

 
 

Te lage beslagvrije voet als onrechtmatige daad

Bron: André Moerman

24/08/2013 12:36 uur

Bij een loonbeslag is een te lage beslagvrije voet gehanteerd omdat met de woonlasten geen rekening is gehouden. De debiteur vordert 2 jaar later het teveel afgedragen bedrag terug op grond van onrechtmatige daad. Hoe oordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant?


De vordering
De debiteur vordert dat de schuldeiser een bedrag van € 1.174,02 van het onder het beslag ingehouden bedrag aan hem terugbetaalt en stelt hiertoe dat dit onverschuldigd is betaald, althans dat de schuldeiser jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door inhouding ervan. De debiteur huurde in de periode van het beslag woonruimte in Breda van een kennis die tijdelijk in het buitenland verbleef, terwijl bij vaststelling van de beslagvrije voet geen rekening is gehouden met woonkosten. De huur bedroeg € 520,00 per maand en onder aftrek van een bedrag van € 70,00 voor kosten van gas, water, licht, kabel en gemeentelijke lasten, alsmede onder aftrek van de normhuur van € 192,32, levert dit een bedrag aan woonkosten op van € 257,68 waarmee bij vaststelling van de beslagvrije voet rekening had moeten worden gehouden. De beslagvrije voet bedroeg daarom niet € 815,90 maar € 1.073,58 per maand. Het nettosalaris bedroeg € 1.084,06 netto per maand, zodat in de maanden augustus 2009 tot en met oktober 2009 per maand slechts € 10,48 per maand ingehouden had mogen worden. In november 2009 bedroeg de afrekening slechts € 957,87, zodat er geen ruimte voor inhouding onder het beslag was. Van het totaal ingehouden bedrag van € 1.205,47 is in totaal daarom maar € 31,45 verschuldigd betaald en een bedrag van € 1.174,02 onverschuldigd.

Het verweer
De schuldeiser betwist dat sprake is van onverschuldigde betaling. Daarvan is immers eerst sprake wanneer er op het moment van betalen geen enkele rechtsverhouding aanwijsbaar is die de betaling rechtvaardigt. Die rechtsverhouding was hier duidelijk wel aanwezig. Voorts dient een beslagene, indien hij reden ziet voor wijziging van de beslagvrije voet, zich te wenden tot de beslaglegger op grond van artikel 475d lid 7 Rv. De beslagvrije voet is op verzoek van debiteur begin september 2009 wel aangepast nadat deze eerst op nihil was gesteld omdat hij geen bekende woon- of verblijfplaats had. Hij heeft toen echter geen melding gemaakt van woonlasten. Pas 2 jaar later heeft hij voor het eerst gesteld destijds woonlasten te hebben gehad. De debiteur staat echter thans geen beroep op wijziging van omstandigheden meer open. Voorts betwist de schuldeiser dat de debiteur destijds huur betaalde. Er is geen enkel bewijs van betaling overgelegd.

Beoordeling
Op grond van artikel 475c onder a Rv is een beslagvrije voet verbonden aan een vordering tot periodieke betaling van loon. Slechts het gedeelte waarmee de loonbetalingen die beslagvrije voet overtreffen is vatbaar voor beslag. Dat betekent dat bedragen die zijn geďnd in weerwil van de (juiste) toepasselijke beslagvrije voet moeten worden terugbetaald aan de beslagene. Indien dit het geval is, moet er van uit worden gegaan dat de wettelijke regels die betrekking hebben op beslaglegging niet correct zijn toegepast, hetgeen onrechtmatig is jegens de beslagene. De vordering moet aldus worden geduid als een vordering uit onrechtmatige daad, zodat dat wat partijen over en weer hebben gesteld omtrent onverschuldigde betaling buiten beschouwing kan blijven.

Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, onder b Rv wordt de beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, indien aan een aantal aanvullende voorwaarden voor wat betreft de hoogte van de netto woonkosten is voldaan. Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat met wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen, door de beslaglegger onverwijld rekening moet worden gehouden. Anders dan de schuldeiser stelt bepaalt artikel 475d, zevende lid, Rv echter niet dat de beslagene zich tot de beslaglegger moet wenden indien er gewijzigde omstandigheden zijn die tot verhoging van de beslagvrije voet aanleiding geven. Hier ligt een belangrijke verantwoordelijkheid voor de beslaglegger, die oplettend zal moeten zijn op (gewijzigde) omstandigheden die moeten leiden tot vaststelling van een hogere beslagvrije voet. De deurwaarder heeft hierin daarnaast een eigen taak om bij de schuldenaar (actief) inlichtingen in te winnen. De rechtbank overweegt daarbij dat, nu de debiteur begin september 2009 aan de deurwaarder meldde dat hij in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven op het adres in Breda, het op de weg van de deurwaarder in het kader van diens zorgplicht had gelegen te vragen naar eventuele voor zijn rekening komende woonkosten en hem te wijzen op de mogelijke gevolgen daarvan. Of de debiteur destijds heeft gemeld woonkosten te hebben kan, gelet hierop, in beginsel in het midden blijven.

De schuldeiser heeft niet gemotiveerd waarom er geen beroep op gewijzigde omstandigheden meer open staat. Voor zover hij doelt op rechtsverwerking door pas later te melden dat sprake was van woonlasten, treft dit verweer geen doel. Enkel tijdsverloop is voor rechtsverwerking immers onvoldoende. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de verantwoordelijkheid van beslaglegger en deurwaarder in dit kader – zou moeten worden aangenomen dat debiteur zijn rechten heeft verwerkt. Voorts heeft te gelden dat, eveneens gelet op deze zware verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de beslagvrije voet zoveel mogelijk correct wordt toegepast, de beslagvrije voet zonodig met terugwerkende kracht gecorrigeerd dient te worden indien achteraf alsnog de juiste gegevens voor toepassing van een hogere beslagvrije voet worden geleverd. Nu er sprake is van een vordering uit onrechtmatige daad, geldt dat gedurende vijf jaar aanspraak kan worden gemaakt op terugbetaling van de bedragen die in weerwil van de toepasselijke beslagvrije voet zijn geďnd (conform verjaringstermijn artikel 3:310 BW).

Conclusie
Dit leidt tot de conclusie dat met terugwerkende kracht de beslagvrije voet moet worden verhoogd conform artikel 475d, vijfde lid, Rv, indien betrokkene woonlasten had die ten onrechte destijds niet hebben geleid tot onverwijlde verhoging van de beslagvrije voet conform het zevende lid van dit artikel. De schuldeiser zal in dat geval het door de debiteur gevorderde bedrag van € 1.174,02 aan hem moeten terugbetalen, nu hij de berekening van dit bedrag inhoudelijk niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

Ter comparitie heeft de schuldeiser nog wel aangevoerd dat niet duidelijk is wat de schade is en betwist dat die er is. De rechtbank overweegt te dien aanzien dat het onrechtmatig inhouden van bedragen waarop in verband met een toepasselijke beslagvrije voet geen geldig beslag rustte, naar haar aard schade voor de beslagene oplevert. Daarnaast heeft debiteur ter comparitie gesteld destijds geld van anderen te hebben moeten lenen om rond te komen. De schade is daarmee gegeven.

Aanhouding
De schuldeiser heeft betwist dat de debiteur de huur heeft betaald. De debiteur wordt in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te bewijzen. Volgt aanhouding van de beslissing.

Meer informatie
- Rb Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:6085
- Achtergrondinfo beslagvrije voet met terugwerkende kracht aanpassen
Reageren?
- Reageer via schuldinfo op LinkedIn


« Nieuwsoverzicht